Natuurherstel en landbouw lijken op gespannen voet te staan. Maar als vijf jaar onderzoek in meerdere boerengebieden iets duidelijk maakt, is het dat andere wegen mogelijk zijn waarin landbouw én natuur kunnen floreren. Zolang boeren, natuurinstanties en gemeentes maar met elkaar om de tafel gaan. ‘Begin met iets kleins en laat anderen komen kijken.’
Verdroging, ruimtegebrek, stikstofproblematiek: wie de debatten van de afgelopen jaren volgt, krijgt het idee dat natuur en landbouw elkaar vooral in de weg zitten en dat wie iets aan natuurherstel wil doen, daarmee direct de landbouw bedreigt. ‘Zeker op landelijk niveau worden deze tegenstellingen flink opgeklopt’, stelt Hans de Kroon, hoogleraar plantenecologie aan de Radboud Universiteit.
‘Maar lokaal verloopt de samenwerking tussen verschillende partijen, zoals boeren, natuurinstanties, gemeentes en waterschappen, veel soepeler. Mensen kennen elkaar en voelen zich verbonden met de historie van een bepaald leefgebied. Dat vormt een basis om over de toekomst van dat gebied in gesprek te gaan.’
De boel op gang brengen
De Kroon was afgelopen vijf jaar een van de drijvende krachten achter het Living Labs-onderzoek, een project gefinancierd vanuit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). In drie gebieden – Ooijpolder-Groesbeek bij Nijmegen, de Alblasserwaard en de Bollenstreek – met ambitie om aan biodiversiteitsherstel te werken, bestudeerden onderzoekers welke factoren bijdragen aan succesvolle vormen van biodiversiteitsherstel.
Wat hebben deze gebieden gemeen? ‘De verschillende spelers in de regio wisten elkaar al te vinden, waardoor ze in een sfeer van wederzijds vertrouwen gezamenlijk konden bespreken welke manieren er waren om met natuurherstel aan de slag te gaan.’ Dat klinkt allemaal heel mooi, maar al die partijen vinden elkaar niet vanzelf, benadrukt De Kroon. ‘Daarvoor heb je mensen nodig die de boel op gang brengen.’
Neem Tiny Wigman. Ze maakte zich zorgen om de toestand van de Ooijpolder, maar als boerendochter wist ze wel beter dan boeren vertellen wat ze moesten doen. In plaats daarvan ging ze in gesprek. Wigman vroeg lokale boeren waar ze trots op waren, waar zij heen wilden en welke interesse er was in natuurherstel. Zo ontstond een sfeer van wederzijds vertrouwen die de basis vormde voor verdere samenwerking.
Hier leggen we een poeltje aan
Wederzijds vertrouwen mag de basis vormen, maar het is niet de enige voorwaarde om een vruchtbare samenwerking te bereiken. ‘Erkenning van de landbouwers en hun expertise is ook van belang. De herstelmaatregelen vinden immers plaats op hun grond en zij zijn verantwoordelijk voor het onderhoud. In overleg is vastgesteld wat de beste stroken zijn om hagen aan te planten en overhoekjes om poeltjes aan te leggen.’
Daarnaast moet er geld zijn om plannen van de grond te krijgen. ‘Een partij vinden die projecten financiert, is telkens weer een uitdaging. Maar op zich is het geen gek idee om boeren te betalen voor natuuronderhoud en -herstel. Net zoals gemeentes en waterschappen geld ontvangen om bermen en dijken te onderhouden.’
Paardenbloemen gekkenwerk?
Afgelopen jaren zagen De Kroon en zijn collega’s welke mooie dingen kunnen ontstaan als aan alle randvoorwaarden wordt voldaan. ‘Neem de Ooijpolder, waar in totaal voor zestig kilometer aan hagen zijn geplaatst op boerenland. De effecten van die hagen, maar ook van aangelegde bloemstroken, zie je meteen: insectenpopulaties leven op en er ontstaan bovendien structuren van planten en voedsel, waardoor insecten zich kunnen verplaatsen en minder geïsoleerd leven.’
Die onmiddellijke opleving van de biodiversiteit is al mooi, maar verenigde inspanningen hebben in potentie nog veel meer positieve effecten, benadrukt De Kroon. ‘Als tussen de insectsoorten op boerenland ook bestuivers en plaagbestrijders zitten, kan het de gewassen van boeren verbeteren.’ Ander interessant experiment is het inzaaien van gras met een kruidenmengsel dat voor bloemrijke graslanden zorgt én minder belastend is, wat ertoe kan leiden dat op termijn minder kunstmest nodig is. ‘Boeren van eerdere generaties, zoals mijn vader zaliger, zouden niet weten wat ze hoorden: paardenbloemen cultiveren in plaats van doodspuiten? Wat is dat voor gekkenwerk?’
Aandachtig op de eerste rij
Vijf jaar onderzoek in Ooijpolder-Groesbeek, Alblasserwaard en de Bollenstreek bewijst voor De Kroon dat natuurherstel en landbouw prima samen kunnen gaan, áls je dit maar doet op een basis van wederzijds vertrouwen. ‘Let wel, er zijn nog meer plekken in Nederland die we niet hebben bestudeerd, maar waar het ook al heel goed gaat.’ Hoewel het NWA-project nu klaar is, stopt het onderzoek hier niet. Tijdens het afsluitende symposium zaten meerdere wethouders, waaronder die van Nijmegen en Wijchen, aandachtig op de eerste rij. Ook in het land van Maas en Waal zijn meerdere boeren geïnteresseerd.
Hoewel jarenlange samenwerking tussen gemeentes, boeren en andere partijen een prijskaartje heeft, merkte De Kroon dat samenwerking heel laagdrempelig kan beginnen. ‘Begin met iets kleins en laat anderen komen kijken. Vervolgens kunnen die initiatieven via dialoog groeien en groeien.’


