Jelmer Vierstra (Natuur & Milieu): “Waarom composteerbare verpakkingen bijna nooit een oplossing zijn”

De uitzending van ‘De Monitor’ (aflevering 10/02), over composteerbare verpakkingen en disposables heeft de discussie over circulariteit weer wat nieuwe zuurstof gegeven. In eerdere columns op dit platform zetten Peeze Koffiebranderij en Moonen Packaging hun kijk op de zaak al uiteen. Vanuit Natuur & Milieu geef ik graag ook onze visie.

Waarom is Natuur & Milieu zo kritisch over biodegradeerbare verpakkingen en disposables?

In een circulaire economie proberen we grondstoffen zo lang mogelijk in de kringloop te houden. Biodegradatie van plastic is het laten vergaan van materiaal tot koolstofdioxide en water. Het is in feite al bij voorbaat accepteren dat materiaal geen tweede leven krijgt en dat is niet circulair. Composteren als proces is natuurlijk wel duurzaam, maar dan als het om de verwerking van GFT- en snoeiafval gaat. Deze plantenresten worden namelijk ook echte compost, die mooie bodemverbeteraar. De degradeerbare plastics verdwijnen in het beste geval volledig en in het slechtste geval blijven er kleine stukjes plastic achter. In beide gevallen is dat onwenselijk. 

Is biodegradeerbaar materiaal dan nooit zinvol?

In heel specifieke gevallen is biodegradeerbaar plastic een goed idee. Bijvoorbeeld in GFT-zakjes voor in de groene afvalbak thuis, of om theezakjes en coffeepads mee dicht te lijmen. In die gevallen zorgt het materiaal (de zakjes en pads) namelijk voor een hogere opbrengst van het GFT afval en dus meer compost. In dat geval wordt het plastic in feite opgeofferd het vergroten van de inzameling van een andere stroom, namelijk GFT-afval. In beleidstaal de zogenaamde ‘co-benefit’ die biodegradeerbaar plastic kan bieden. 

Maar hoe zit het dan met die Europese normen voor biodegradeerbaarheid?

Wij zijn heel kritisch over die norm. Feitelijk zegt die norm dat kunststof na twaalf weken voor negentig procent vergaan moet zijn. Dat betekent dat die norm dus ruimte laat voor tien procent materiaal dat niet vergaan hoeft te zijn. Het idee daarachter is dat de rest van het materiaal dan op termijn ook wel vergaat, maar dat is in de praktijk lang niet altijd waar. Wij onderzochten bijvoorbeeld het vleesschaaltje van Coop en vonden daarin een laagje PVDC, dat is een kunststof dat helemaal niet vergaat. Maar omdat die norm tien procent ruimte laat voldoet deze verpakking gewoon aan de norm. Het resultaat is dus dat die norm microplasticvervuiling van compost toestaat. Heel goed dus dat Coop deze verpakking niet meer gebruikt.

Het WUR-rapport dat vandaag verscheen heeft alleen maar onderzoek gedaan naar toepassingen die een ‘co-benefit’ hebben, het is goed te lezen dat deze allemaal behoorlijk goed composteren. Maar dat onderzoek zegt dus niks over bijvoorbeeld vleesschaaltjes. 

En die afvalbedrijven die veel te kort composteren dan?

Afvalbedrijven baseren hun processen op de gewenste kwaliteit van de compost die uit het proces komt. Daarbij zijn de kosten die samenhangen met de lengte van dat proces ook bepalend. Die bedrijven moeten balanceren tussen proceskosten en de kwaliteit van de compost. Daarbij komt dat de markt voor compost moeilijk is, omdat er zoveel dierlijke mest in Nederland is waar ze mee moeten concurreren. 

Dat afvalbedrijven hun proces niet aanpassen aan een Europese norm voor biodegradeerbaar plastic is volstrekt logisch. Die plastics voegen niks toe aan de kwaliteit van de compost en daarmee ligt het belang voor een norm die aansluit bij de composteringspraktijk bij de producenten van het materiaal en niet bij de afvalbedrijven. 

Hoe moeten we verpakkingen en disposables dan wel verduurzamen?

In de eerste plaats moeten we er veel minder van gebruiken, door waar mogelijk voor herbruikbare oplossingen te kiezen. Zeker in een kantooromgeving zoals een ministerie kan je prima koffie serveren in gewone mokken of glazen. Als een bedrijf toch kiest voor single-use oplossingen moeten ze volop inzetten op recyclebaarheid, inzet van recycled content en eenduidige communicatie. Daarvoor is het nodig om de hoeveelheid soorten plastics sterk te verminderen en het ontwerp van disposables en verpakkingen zo eenvoudig mogelijk te houden. Een circulaire economie begint met een minder complexe afvalberg en dat begint met minder complexiteit in disposables en verpakkingen.

En dan blijven we dus fossiele plastics gebruiken?

Dat is niet de bedoeling en in een circulaire economie is dat ook niet nodig. Naast veel minder single-use plastic gebruiken, is de belangrijkste uitdaging om plastics veel beter te gaan recyclen, zodat er minder primaire grondstof nodig is. Tegelijk zal het waarschijnlijk niet lukken om kunststoffen honderd procent circulair te maken, de recycleprocessen leveren altijd materiaalverliezen op. 

Dat betekent dat er ook op de lange termijn een stroom ‘nieuwe grondstof’ nodig is om de keten te sluiten. Die stroom moeten we hernieuwbaar gaan produceren. En daar moeten we zorgvuldig naar kijken. Hernieuwbaar is namelijk niet automatisch hetzelfde als duurzaam. Hernieuwbaar betekent in de praktijk dat grondstoffen van landbouwprocessen afkomstig zijn, maar ook landbouw heeft forse impact op onze leefomgeving. Het gebruik van reststromen, vermindert de totale impact, maar is ook niet zonder duurzaamheidsrisico’s. Reststromen zijn bijvoorbeeld ook nodig om de bodemkwaliteit van de akker op peil te houden, en die kan je dus niet onbeperkt afvoeren en gebruiken. 

Jelmer Vierstra, Senior Program Leader Circular Economy bij Natuur & Milieu

Share Button