Column: ‘Due Diligence in de praktijk: Nederlandse bedrijven bestrijden kinderarbeid’

Eerst het goede nieuws: kinderarbeid is sinds het begin van deze eeuw afgenomen met meer dan 30%. Er werken nu nog “maar” 168 miljoen kinderen volgens de International Labour Organisation (ILO). Minder goed nieuws is dat de helft van deze kinderen gevaarlijk werk doet. Ook zijn 120 miljoen werkende kinderen onder de 14 jaar. Maar kinderen zijn de toekomst. Zij hebben recht op goed onderwijs. Kinderarbeid belemmert een gezonde ontwikkeling en zonder school hebben kinderen niet de mogelijkheid om uit de armoede te ontsnappen. Het is niet voor niets dat het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid als een van de prioriteiten (SDG 8) is opgenomen in de Duurzame Mondiale Ontwikkelingsdoelen voor 2030.

Wat hebben Nederlandse bedrijven met kinderarbeid te maken en waarom is het zo moeilijk te bestrijden?

Zoals we hierboven al beschreven komt kinderarbeid nog steeds veel voor, ook in de ketens van Nederlandse bedrijven. Er werken bijvoorbeeld 1 miljoen kinderen in goudmijnen. Dit goud is niet alleen in sieraden verwerkt, maar ook in elektronische chips. In West-Afrika werken naar schatting 2,1 miljoen kinderen nog steeds in de cacao; cacao die in onze chocoladerepen terecht komt! Amnesty liet onlangs nog zien dat kinderen van 8 jaar werken op palmolie plantages; palmolie die terecht komt in onze shampoos, make-up of koekjes. Veel Nederlandse bedrijven verklaren geen kinderarbeid in hun ketens te willen hebben en sommigen hebben programma’s die erop gericht zijn hun leveranciers te controleren. Kinderarbeid is niet zo makkelijk te ontdekken of te bestrijden. Veel leveranciers weten heel goed dat kinderarbeid niet wordt gewaardeerd door klanten en weten het vaak prima te verhullen bij audits. Het vraagt dan ook grondig onderzoek met behulp van lokale experts en raadpleging van belanghebbenden. Ook is het belangrijk dat het bedrijf onderzoekt welke maatregelen het zelf zou kunnen nemen om kinderarbeid te voorkomen en hierover verantwoording aflegt. Bedrijven hebben een mogelijkheid invloed uit te oefenen op hun leveranciers. Kinderarbeid verdwijnt niet door een verbod of door uit te wijken naar een andere leverancier. Het is belangrijk dat onderliggende oorzaken zoals een te laag inkomen van ouders, gebrekkige toegang tot onderwijs en tradities en gewoonten, ongelijkheid tussen jongens en meisjes, worden aangepakt. Ook wil je niet dat een kind van de cacao naar de tabak overstapt of erger van de katoenvelden de prostitutie in.

De vraag is dan ook wat bedrijven hieraan kunnen doen?

Het Fonds Bestrijding Kinderarbeid (FBK)

In 2016 leidde een initiatief van de PvdA er toe dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken éénmalig 5 miljoen extra vrijmaakte om een fonds op te richten om bedrijven kinderarbeid te laten bestrijden. Dit fonds werd ondergebracht bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Als externe experts waren wij betrokken bij het opzetten en bij de uitvoering van dit Fonds Bestrijding Kinderarbeid (FBK). Wij waren bij de drie gebieden van het Fonds betrokken:

  • Bij het deel van het Fonds waarbij bedrijven steun kunnen krijgen voor het doen van due diligence naar kinderarbeid.
  • Bij het deel van het Fonds waarbij een bedrijf met een consortium van partners, financiering kon vragen voor een multi-stakeholder aanpak om kinderarbeid te bestrijden.
  • Bij het ontwikkelen van een multi-stakeholder aanpak om de overheid duurzaam te laten inkopen met natuursteen als voorbeeld.

Waarom steunt de overheid bedrijven hierbij?

De Nederlandse overheid steunt bedrijven als ze willen exporteren, importeren of innoveren. Ze worden vanuit Nederland en door ambassades ondersteund met handelsmissies en lokale contacten. Waarom zouden ze dan geen ondersteuning kunnen krijgen om kinderarbeid te bestrijden? Conform de OESO-richtlijnen, moeten alle bedrijven ‘due diligence’ doen naar mensenrechtenschendingen. Kinderarbeid hoort daar ook bij. Dat het in de praktijk nog niet zoveel gebeurt, is des te meer reden om bedrijven daarbij actief aan te moedigen.

Het FBK ontving maar vijf aanvragen voor due diligence naar kinderarbeid. Bij navraag bleek dit aan de gevoeligheid van het onderwerp te liggen, maar ook aan het probleem dat wanneer kinderarbeid ontdekt zou worden, bedrijven geen aanvraag voor een MSI project meer kunnen doen, omdat het fonds eenmalig en gesloten leek. Blijkbaar was er een angst dat het probleem zo groot zou zijn, dat ze daar zelf onvoldoende fondsen voor zouden hebben. In sommige projecten was nog niet bekend op welk land of welk deel van de keten het zich zou richten. Hieruit blijkt dat bedrijven blijkbaar weinig weten wat er zich in hun keten afspeelt. Des te meer noodzaak om goed onderzoek te doen. Nieuwe financiering voor het fonds zou wat ons betreft dan ook zeer noodzakelijk zijn. Bedrijven ondersteunen om werkelijk over te gaan tot due diligence vraagt een systematische aanpak, geen eenmalige prikkel. Ons inziens leidt alleen een inzet met een langere adem  tot meer due diligence en minder kinderarbeid!

Wat waren belangrijke onderwerpen van bespreking met de bedrijven?

Veel vragen hadden te maken met het eigen business model. In hoeverre leiden goedkope prijzen voor de boeren bijvoorbeeld tot lage (geen leefbare) lonen en de noodzaak het kind te laten werken? Een andere vraag was hoe je de leverancier meekrijgt en hoe je voorkomt dat een kind elders gaat werken en dus kinderarbeid niet structureel wordt uitgebannen? Of hoe kunnen bedrijven kinderarbeid voorkomen en hoe kan dit hun business beïnvloeden? Hoever willen bedrijven hierin gaan, is er sprake van een gelijk speelveld en hoe kan hun invloed worden vergroot?

De samenwerking met NGOs is voor veel bedrijven nieuw en spannend, maar lijkt al snel tot nieuwe inzichten te leiden en positief genoeg ook andersom bij de NGO’s. De bedrijven die deze stap naar het Fonds nu nemen, zijn te bewonderen, want ze stellen zich hiermee kwetsbaar op. Wie volgt?

Hoe nu verder?

Aanvragen die tot dusver bij het FBK binnenkwamen, richtten zich bijvoorbeeld op natuursteen in India, op sportkleding in Pakistan, op cacao in de Ivoorkust, mais en graan in Hongarije en Polen, kleding in Bangladesh en India, zaden uit India, seksuele uitbuiting / exploitatie van kinderen in de toerisme-industrie, goud in Oeganda, specerijen, en metalen. Bij natuursteen, goud en textiel kwamen de consortia tot stand onder de paraplu van de convenanten. Nu alle projecten zijn goedgekeurd, kunnen ze van start. Wij zijn als experts betrokken geweest bij het advies en beoordeling van de projecten en zullen gedurende de komende twee jaar via kennissessies de deelnemers verder volgen en ondersteunen. Over twee jaar zal er zo een overzicht kunnen worden gepresenteerd van verschillende ervaringen van deze koplopers in de verschillende samenwerkingsverbanden, in Nederland en verder in de keten. Koplopers, die samen kiezen voor systeemoplossingen om kinderarbeid een halt toe te roepen.

Wat is er nodig?

Wij denken dat er veel geleerd gaat worden in deze projecten, omdat het om unieke samenwerkingsverbanden gaat en bedrijven echt naar de relatie met hun core business moeten gaan kijken. Het FBK biedt bedrijven een enorme kans om aan hun zorgplicht te voldoen en het Nederlandse bedrijfsleven zich te laten ontwikkelen tot wereldwijde koploper op gebied van het bestrijden van kinderarbeid. Vooral als bovendien de Wet Zorgplicht Kinderarbeid wordt ingevoerd en alle bedrijven due diligence naar kinderarbeid moeten doen.

Liesbeth Unger (Human Rights at Work), Annelien van Meer (Enact Sustainable Strategies) en Machteld Ooijens (Partnering for Social Impact) zijn experts op het gebied van mensenrechten, duurzaamheid bij bedrijven. Zij hebben het Fonds Bestrijding Kinderarbeid van de RVO en de aanvragende bedrijven geadviseerd.

Share Button