De verduurzaming van mobiliteit zit al jaren in een stroomversnelling. Elektrisch rijden groeit, laadinfrastructuur breidt zich uit en hernieuwbare energie speelt een steeds grotere rol in vervoer. Tegelijkertijd verandert ook het beleidskader ingrijpend. Met de herziene Europese richtlijn voor hernieuwbare energie, beter bekend als RED‑III, verschuift de focus van volumes hernieuwbare energie naar aantoonbare reductie van broeikasgasemissies. In Nederland krijgt die verschuiving vorm via de introductie van Emissiereductie‑eenheden, kortweg ERE’s.

RED‑III is de opvolger van RED‑II en legt voor de transportsector expliciet vast dat niet alleen het aandeel hernieuwbare energie moet toenemen, maar dat de daadwerkelijke CO₂‑reductie centraal staat. In plaats van te sturen op hoeveel energie groen is, wordt gekeken naar wat die energie oplevert in termen van vermeden uitstoot. Voor lidstaten betekent dit een fundamentele herziening van bestaande systemen. In Nederland leidt dat tot het afscheid van de hernieuwbare brandstofeenheid (HBE) en de overstap naar een systeem dat stuurt op ketenemissies.

Tijdslijn

De eerste Renewable Energy Directive dateert uit 2009 en zette hernieuwbare energie op de kaart. Met RED‑II in 2018 werden de ambities aangescherpt en kwamen nationale invullingen zoals de HBE‑systematiek tot stand. In 2023 werd RED‑III vastgesteld, met als belangrijk verschil dat de richtlijn ruimte laat om te sturen op broeikasgasreductie in plaats van uitsluitend op energievolume. Vanaf 2026 is deze nieuwe benadering in Nederland van kracht via de brandstoftransitieverplichting en onder toezicht van de Nederlandse Emissieautoriteit.

Het verschil tussen de oude en de nieuwe systematiek is groter dan het op het eerste gezicht lijkt. Onder het HBE‑systeem werd elke gigajoule hernieuwbare energie beloond, ongeacht de herkomst of de daadwerkelijke klimaatwinst. Elektriciteit, biobrandstoffen en andere energiedragers kwamen allemaal terecht in één volumelogica. Met ERE’s verandert dat. Eén ERE staat voor één kilogram CO₂‑equivalent die over de hele keten is vermeden ten opzichte van een fossiele referentie. Daarmee wordt expliciet zichtbaar dat niet elke kilowattuur dezelfde klimaatimpact heeft.

Emissiereductie in 2 types

In de nieuwe systematiek ontstaan bovendien verschillende typen ERE’s. Elektriciteit krijgt een eigen categorie, ERE‑E, terwijl voor hernieuwbare brandstoffen van niet‑biologische oorsprong, zoals groene waterstof en e‑fuels, ERE‑R wordt gebruikt. Deze verfijning maakt het mogelijk om specifieke subdoelen uit RED‑III te realiseren en bepaalde energievormen gericht te stimuleren.

Een ERE is daarmee meer dan een administratief vinkje. Het is een verhandelbaar bewijs van gerealiseerde klimaatwinst. Brandstofleveranciers in Nederland hebben een wettelijke verplichting om hun fossiele uitstoot jaarlijks te reduceren. Dat kunnen zij doen door zelf hernieuwbare energie in te zetten, maar ook door ERE’s te kopen van partijen die aantoonbare emissiereductie realiseren. De ERE fungeert zoals schakelpunt tussen beleid en markt.

Verbreding deelnemende partijen

Wat nieuw is ten opzichte van het verleden, is dat de kring van deelnemende partijen sterk wordt verbreed. Sinds 2026 kunnen ook particulieren met een eigen laadpaal deelnemen aan de systematiek. Wie thuis een elektrische auto laadt met een laadpunt dat beschikt over een MID‑gecertificeerde meter, kan de geladen elektriciteit laten registreren. De bijbehorende emissiereductie wordt omgerekend naar ERE’s en op de markt gebracht. Particulieren kunnen dit niet zelf doen; zij zijn aangewezen op een erkende inboekdienstverlener die de registratie en administratie verzorgt.

Voor bedrijven en eigenaren van laadinfrastructuur is de impact vaak nog groter. Elektrisch laden op bedrijventerreinen, bij logistieke hubs of in wagenparken levert structureel emissiereductie op. Zeker bij grotere volumes kan dat leiden tot een substantiële aanvullende opbrengst. Bedrijven die kunnen aantonen dat zij (deels) laden met lokaal opgewekte hernieuwbare elektriciteit, bijvoorbeeld van zonnepanelen, realiseren bovendien een hogere ERE‑opbrengst per kilowattuur. Daarmee verschuift elektrisch laden van een zuivere energiekost (kale energieprijs) naar een onderdeel van de bredere businesscase voor elektrificatie.

Sleutelrol voor de inboekdienstverlener

De inboekdienstverlener is de verbinding tussen laadlocaties, het Register Energie voor Vervoer en de ERE‑markt. Zij verzamelen laaddata, beoordelen wie het recht heeft op de ERE‑claim, zorgen voor correcte registratie bij de NEa en begeleiden de verkoop van ERE’s aan verplichtte brandstofleveranciers. Voor particulieren is deze rol wettelijk verplicht; voor bedrijven is het in de praktijk vrijwel onmisbaar, gezien de complexiteit van de eisen en de drempelwaarde van 2 miljoen kWh welke nodig is om zelfs energie in te mogen boeken. Elke organisatie die deze drempelwaarde niet zelfstandig haalt dient een inboekdienstverlener in te schakelen om de ERE-waarde te kunnen verzilveren.

Omdat ERE’s financiële waarde vertegenwoordigen en moeten voldoen aan vastgelegde kwaliteitseisen en voorwaarden, is controle essentieel. Onafhankelijke verificateurs toetsen meetketens, administratieve processen en datakwaliteit. Zij borgen dat emissiereductie correct en eenmaal wordt vastgelegd en dat het systeem betrouwbaar blijft voor alle partijen. Die combinatie van marktwerking en streng toezicht is kenmerkend voor de ERE‑systematiek.

Richten op emissiereductie

Het beoogde effect van deze regelgeving reikt verder dan alleen financiële prikkels. Door te sturen op daadwerkelijke CO₂‑reductie wil de wetgever investeringen richting de meest effectieve oplossingen leiden. Fossiele brandstoffen worden stap voor stap duurder, terwijl elektrificatie, hernieuwbare opwek en slimme laadinfrastructuur aantrekkelijker worden. Daarmee wordt de energietransitie in mobiliteit niet alleen een verplichting, maar ook een economische logica.

In dit speelveld positioneert Groenbalans zich als inboekdienstverlener. Door organisaties te begeleiden bij registratie, verificatie en verzilvering van ERE’s helpt Groenbalans om de abstracte kaders van RED‑III en ERE’s te vertalen naar de dagelijkse praktijk. Zo wordt zichtbaar hoe beleid, markt en techniek samenkomen in de verduurzaming van mobiliteit.

Willem Tijmensen-Reijers, Groenbalans