Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de conferentie ‘Promoting Decent Work in Europe: the role of social partners’

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de conferentie ‘Promoting Decent Work in Europe: the role of social partners’, gehouden in het SER-gebouw op 30 mei 2016.

Het gesproken woord geldt.


Ik heet u graag welkom bij deze conferentie over Decent Work in Europa – in het gebouw van de Sociaal-Economische Raad, de SER. Fijn dat u vanuit verschillende windstreken naar Den Haag bent gekomen.

Mijn naam is Mariëtte Hamer. Ik ben voorzitter van de SER. De SER is het tripartiete adviesorgaan van regering en parlement. Een derde van de leden vertegenwoordigt de werkgevers; een derde vertegenwoordigt de werknemers; de overige leden zijn onafhankelijke deskundigen. Als voorzitter behoor ik tot die laatste categorie.

In deze zaal komt de SER maandelijks in plenaire zitting bijeen, om adviezen vast te stellen en om actuele sociaal-economische ontwikkelingen te bespreken. Het voorbereidende werk wordt in een groot aantal commissies en werkgroepen voorbereid die frequent in kleinere zalen vergaderen.

Deze conferentie organiseren wij samen met Instituut Gak, een fonds dat subsidie geeft aan projecten op het terrein van sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid. Ik ben blij dat de voorzitter van Instituut Gak, Frederik Buijn, en diverse leden van het bestuur aanwezig zijn.

Deze conferentie hebben we in nauwe samenwerking met het Europese Economisch en Sociaal Comité, het EESC, opgezet. Het EESC heeft een evenwichtig samengestelde delegatie naar deze conferentie afgevaardigd. Ik heet u allen van harte welkom. Een aantal van u zal een presentatie verzorgen of een kort commentaar geven, en ons daarmee inzicht geven in adviezen die het EESC de afgelopen tijd heeft uitgebracht.

Bij de organisatie van deze conferentie in het kader van het Nederlandse voorzitterschap van de EU voelden wij ons gesteund door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik ben heel blij dat minister Lodewijk Asscher – die dit halfjaar de Sociale Raad voorzit – tijd heeft kunnen vrijmaken om vanmiddag over Decent Work in Europa met ons van gedachten te wisselen. Dit onderwerp ligt de minister na aan het hart.

Decent Work en TTIP; brede welvaartsbegrip

Het thema Decent Work komt ook regelmatig terug in adviezen van de SER. Vorige maand heeft de SER een uitgebreid en diepgaand advies over TTIP – het Transatlantic Trade and Investment Partnership – uitgebracht. Een unaniem advies, niet voor of tegen TTIP, maar een advies dat maatschappelijke zorgen en bezwaren bespreekt, en de waarborgen die TTIP kan en moet bieden voor de bescherming van diverse publieke belangen. Van dit TTIP-advies verschijnt ook een Engelse vertaling.

Het brede welvaartsbegrip hanteren wij daarbij als uitgangspunt. Maatschappelijke welvaart is meer dan economische groei alleen; het gaat ook om sociale vooruitgang en sociale samenhang en om een goede kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving. Kortom: een balans tussen people, planet en profit; en in die balans speelt Decent Work een belangrijke rol.

Decent Work, dat is wat mensen wensen in hun werkzame leven. En voor de maatschappij als geheel vormen productieve werkgelegenheid en decent work de bouwstenen voor sociaal-economische vooruitgang.

In het TTIP-advies haken we aan bij de maatschappelijke verwachting dat TTIP een ‘gouden standaard’ gaat vestigen voor toekomstig Europees handels- en investeringsbeleid. Daarom mag van TTIP verwacht worden dat het bindende en gedetailleerde bepalingen bevat over wat de fundamentele arbeidsnormen inhouden en wat de VS en de EU moeten doen om een goede naleving te waarborgen. Respect voor fundamentele arbeidsnormen en de afspraak dat men niet-naleving niet mag gebruiken voor het behalen van een concurrentievoordeel vormen een belangrijke voorwaarde vooraf.

IMVO-convenanten

De Nederlandse overheid, vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, consumenten en maatschappelijke organisaties verwachten dat bedrijven zakendoen met respect voor mensenrechten en milieu. Internationaal is dat vastgelegd in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights.

Veel bedrijven en bedrijfstakken spannen zich in voor internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en duurzaam ketenbeheer. Desondanks is er wereldwijd regelmatig sprake van schendingen van fundamentele rechten, waaronder bescherming tegen kinderarbeid.

De SER heeft bepleit dat sectoren en bedrijven het initiatief nemen convenanten over internationaal MVO te sluiten met de overheid en met maatschappelijke organisaties. Dergelijke convenanten bieden bedrijven in sectorverband de kans om samen met de overheid en andere partijen complexe problemen, zoals kinderarbeid, gestructureerd en oplossingsgericht aan te pakken en daarmee hun leverage te vergroten. Onder leiding van de SER is de eerste convenant over internationaal MVO in de textielsector tot stand gekomen. Later vandaag zult u daar meer over horen.

Decent Work begint met de naleving van de fundamentele arbeidsnormen – zoals de vrijheid van vereniging, het verbod op kinderarbeid en het tegengaan van discriminatie in bedrijf en beroep – die de ILO heeft vastgelegd.

Maar het gaat ook om veiligheid en gezondheid op de werkplek en om fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met inbegrip van lonen en arbeidstijden. En medezeggenschap vind ik ook een belangrijk ingrediënt voor Decent Work.

Robotisering en de arbeidsmarkt

Een belangrijke uitdaging is hoe we met de toenemende onzekerheid in de economie en op de arbeidsmarkt omgaan. De trend van robotisering en automatisering roept de vraag op hoe de werkgelegenheid er in de toekomst uit zal zien. Er zullen nieuwe banen ontstaan, maar er zullen ook banen verdwijnen. Robots en computers zullen een deel van het huidige werk overnemen. Dat is goed voor de efficiëntie van het werk. En het kan ook vanuit het oogpunt van Decent Work positief zijn, als daardoor saaie of gevaarlijke werkzaamheden verdwijnen.

Het is niet goed te voorspellen of voor de wegvallende banen ook weer voldoende nieuwe banen in de plaats komen. Bij eerdere technologische revoluties is dat steeds het geval geweest en er is geen reden om aan te nemen dat het nu anders zal zijn.

Toch betekent het niet dat we achterover kunnen zitten. Om de kansen te pakken die de technologie biedt, moet we verschillende stappen zetten. (De SER bereidt daarover nu een advies voor). In ieder geval moeten we ervoor zorgen dat mensen door onderwijs en opleiding goed worden toegerust op de digitale revolutie. En niet alleen door goed en toegankelijk onderwijs te bieden vóórdat de loopbaan start, maar door de hele loopbaan heen. Ook wordt het steeds belangrijker dat mensen wendbaar zijn. Het moet gemakkelijker worden om een overstap te maken van de ene naar de andere taak, functie of sector. Zekerheden voor werkenden en een goed vangnet zijn daarvoor cruciaal.

Waar we verder alert op moeten zijn, is dat robotisering scheidslijnen op de arbeidsmarkt kan versterken. Technologie creëert vooral banen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Banen op middelbaar niveau komen onder druk te staan. Werknemers met een lagere opleiding krijgen te maken met verdringing.
Sommige beroepen zullen helemaal verdwijnen, maar dat hoeft niet. Denk aan een automonteur. Nu al leest hij de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. Plug and play. Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld. Het vak blijft dus bestaan, maar vereist wel andere vaardigheden.

Omscholing is voor een deel van de beroepsbevolking een oplossing. Maar we moeten ook beseffen dat het niet voor iedereen is weggelegd om een hogere opleiding af te ronden. Ook die mensen moeten we een kansrijk perspectief bieden.

Flexibiliteit

In ons land zien we ook een toenemende diversiteit in arbeidsrelaties. Vooral tijdelijke contracten nemen toe. In een dynamische economie als de onze is dat niet zo gek: flexibiliteit is nodig om op snelle wisselingen van de vraag in te spelen. En ook werknemers hebben behoefte aan flexibiliteit. Jongere generaties willen niet meer hun hele loopbaan bij één werkgever doorbrengen.
Ingewikkeld is wel dat onze instituties zijn ontwikkeld met het vaste contract als basis. Werknemers met een flexibel contract krijgen daardoor niet altijd dezelfde bescherming en kansen als andere werknemers. Bijvoorbeeld als er een hypotheek nodig is of als werknemers scholing willen volgen. De opgave is om die instituties toekomstbestendig te maken en te zorgen dat ongeoorloofde verschillen tussen werknemers verdwijnen.

Arbeidsmobiliteit binnen de EU

Die flexibilisering heeft ook een internationaal facet. We zien dat een groep ondernemers de Europese mogelijkheden benutten voor nieuwe arbeidscontracten door internationale payrolling, detachering en onderaanneming. Op dit moment is er een stevig debat gaande over deze constructies, bijvoorbeeld met vrachtwagenchauffeurs. Het debat gaat over de wenselijkheid en menselijkheid en over de effecten voor onze sociale zekerheid. Ook deze medaille heeft twee kanten. Het is mooi dat het werk wordt gedaan tot tevredenheid van opdrachtgever en werknemer, maar minder mooi dat de nationale afspraken over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden niet altijd worden nageleefd.

Over Decent Work heeft de SER eerder geadviseerd in verband met de arbeidsmobiliteit binnen de Europese Unie. Vertegenwoordigers van Nederlandse werkgevers en werknemers zullen u vanmiddag hun gezamenlijke bevindingen presenteren. Vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie is een groot goed, een belangrijke verworvenheid. Maar dat vrije verkeer vraagt wel om gemeenschappelijke spelregels, op Europees niveau, om uitbuiting van arbeidsmigranten en oneerlijke concurrentie op lonen en andere arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. Vanmiddag zal er alle ruimte zijn om dit actuele vraagstuk met elkaar te bespreken.

Vluchtelingen

Een verhaal over ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in internationaal perspectief is niet compleet zonder aandacht te geven aan de vluchtelingen. Het afgelopen jaar zijn we in Europa geconfronteerd met een grote toestroom van vluchtelingen, vooral uit Syrië. De eerste uitdaging is om de mensen uit deze oorlogsgebieden een veilig en menswaardige opvang te bieden. Maar vervolgens is wel de vraag aan de orde hoe wij deze mensen gaan integreren, en toeleiden naar de arbeidsmarkt. Eerlijk gezegd valt daar in ons land nog veel aan te verbeteren. Veel vluchtelingen lukt het niet om economisch zelfstandig te worden; voor zover het wel lukt duurt het mede door allerlei regels en procedures die bij- en omscholen afremmen, zeker vijf jaar voor men zich echt op de arbeidsmarkt beschikbaar kan stellen.

Bij de SER zijn we bezig om de verschillende knelpunten, maar ook de verschillende goede voorbeelden in kaart te brengen en de vereende krachten van werkgevers, werknemers en kroonleden in stelling te brengen. We staan nog aan het begin, maar er begint zich een lijn af te tekenen dat de oplossing niet gevonden moet worden in een groot nationaal programma, maar dat in regionale samenwerking van alle aanwezige partijen, werkgevers, lokale overheden, opleidingen, werknemersorganisaties en welzijnsinstellingen, een programma kan worden ontwikkeld waar de mensen mee geholpen zijn, maar waar ook de regio en de regionale arbeidsmarkt mee geholpen is. Ook hier dus weer “Samen aan de slag”.

Samen aan de slag

Dat ‘samen aan de slag’ staat symbool voor de dialoog die wij in de SER – met elkaar en met andere partijen voeren. Ik hoop dat het ook de ‘spirit’ van deze conferentie zal bepalen. Decent Work vraagt om de inzet van alle betrokkenen – van werkgevers en van werknemers. En ook de toekomst van de Europese integratie – die ons veel goeds heeft gebracht – ligt mede in onze handen.

Ik wil nu graag het woord geven aan onze dagvoorzitter, prof. Paul Schnabel. Ik wens u een interessante en informatieve dag toe!

Share Button