Elk jaar produceren we wereldwijd een hoop nieuwe kleding, terwijl oude items bij het vuilnis belanden. Slechts een klein deel gebruiken we opnieuw of vormen we om tot nieuwe kleding. Waarom lukt textiel recyclen zo slecht?
Het is voorjaar en dus tijd om de kledingkast uit te mesten. Wat doe je met dat ene shirt dat je drie jaar geleden kocht, maar nooit droeg, of die spijkerbroek waar inmiddels een gat in zit? Sinds vorig jaar heeft Europa een inzamelplicht en moet elke gemeente inzamelpunten voor textiel aanbieden. Dé plek waar je oude kleding heenbrengt en de route naar hergebruik en recycling begint. Toch lijkt die recycling op het eerste oog nog niet zo succesvol: slechts één procent van de gebruikte kleding wereldwijd recyclen we tot nieuwe kleding. Waar gaat de rest heen, en hoe kunnen we het beter doen?
Groot deel eindigt als poetsdoek
Wie zijn oude broek in een textielbak gooit, stelt zich misschien voor dat die ergens in een fabriek wordt omgesmolten tot een nieuw kledingstuk. In werkelijkheid werkt dat slechts voor een klein deel van de kleding. Onze afdankertjes in de bak kunnen verschillende routes volgen. Een deel krijgt een nieuwe eigenaar, bijvoorbeeld via tweedehandswinkels of via export naar het buitenland. Kleding die te vervuild is, belandt uiteindelijk in de verbrandingsoven. Een ander deel wordt gerecycled. Het grootste deel daarvan eindigt als poetsdoek, vulling of isolatiemateriaal. Dat heet open-loop recycling: Het materiaal krijgt een nieuwe toepassing, maar niet meer als kleding.
Dat komt doordat ‘van kleding weer kleding maken’ een stuk complexer werkt dan het klinkt. Om van oud textiel poetsdoeken te maken, hoeft de kleding alleen maar verknipt te worden. Pers textiel samen tot een plaat en je hebt isolatiemateriaal. Maar nieuwe kleding maken vraagt om een complexer proces. Machines trekken dan kledingstukken uiteen tot losse vezels. Die vezels verliezen daarbij vaak aan sterkte en lengte. Om er weer sterk garen van te maken, moeten fabrikanten er nieuwe vezels bij mengen. Inmiddels wordt er ook geëxperimenteerd met chemische recycling. Die vorm van recycling biedt aanknopingspunten, maar staat op dit moment nog in de kinderschoenen.
Bij open-loop cycling vormen we kleding om tot een product van lagere waarde, zoals poetsdoeken.
Blends en verontreinigingen bemoeilijken recycling
Marieke Brouwer, onderzoeker Duurzame Producten & Systemen bij WUR, wijst op een fundamenteel ontwerpprobleem. Veel moderne kledingstukken bestaan uit zogenoemde blends: mengsels van verschillende vezels, zoals katoen, polyester en elastaan door elkaar heen geweven. Dat kan handig zijn, volgens Brouwer: “Een beetje elastaan in onze jeans, maakt ze rekbaar, wat fijn voelt voor de drager.” Andere blends maken de productie goedkoper of de kleding kreukvrij. Maar juist die mengsels van materialen bemoeilijken recycling.
Uit het nieuwe onderzoek van Brouwer blijkt dat ongeveer de helft van alle T-shirts, korte broeken en longsleeves uit zulke blends bestaat. Bij lange broeken loopt dat aandeel op tot maar liefst 77 procent. “Die materialen zijn vaak lastig of niet goed van elkaar te scheiden,” zegt Brouwer. En dan hebben we het nog niet eens over alles wat aan kleding vastzit. Ritsen, knopen, pailletten, labels en coatings moeten eerst worden verwijderd voordat recycling überhaupt kan starten. Dat kost tijd, geld en energie. Ook extra lagen, zoals voeringen in blazers, vormen een uitdaging. “Dat zijn typisch items die we niet omzetten tot nieuwe kleding, maar samenpersen tot isolatiemateriaal”, aldus Brouwer.
De oplossing lijkt voor de hand te liggen: maak kleding eenvoudiger. Minder materialen, minder toevoegingen, en juist meer zogenoemde monomaterialen – kleding gemaakt van één soort vezel. Dat maakt recyclen technisch veel makkelijker. “Een T-shirt van honderd procent katoen of viscose, kun je veel beter opnieuw verwerken,” zegt Brouwer. De praktijk is weerbarstiger, want de industrie heeft weinig reden om vrijwillig over te stappen op monomaterialen. Dat komt doordat blends niet alleen technisch handig zijn, maar ook economisch en cultureel aantrekkelijk: ze maken kledingproductie goedkoper, comfortabeler of geven het een luxere uitstraling. En mode gaat nu eenmaal ook over identiteit, over uitstraling, en hoe je jezelf presenteert aan de wereld.
Die rol die kleding speelt, heeft binnen enkele generaties een drastische verandering doorgemaakt, weet de Wageningse consumentenonderzoeker Siet Sijtsema. “Pak hem beet tachtig jaar geleden bestond de meeste kleding standaard uit monomaterialen. Met de opkomst van synthetische vezels in de jaren zestig veranderde alles. De materiaalkeuze explodeerde, de prijs daalde en het aantal collecties per jaar nam toe.” Waar de mode-industrie vroeger twee collecties per jaar presenteerde, hangen er nu wekelijks nieuwe collecties in de winkel.
“Onze (over)grootouders hebben te maken gehad het schaarste” zegt Sijtsema. “Daarom hechtten zij heel andere waarde aan kleding dan de huidige generatie. In die tijd was kleding kostbaar en herstelde je het als het kapot ging. Die generatie leerde bovendien op school hoe je een kledingstuk repareert. Nu is die kennis grotendeels verdwenen. Een kapot kledingstuk vervangen is vaak makkelijker en soms zelfs goedkoper dan het laten herstellen.” De lage prijs van fast fashion werkt dat in de hand: repareren loont financieel simpelweg niet altijd meer.
Beleid helpt, maar recyclingdoelen laten zich moeilijk meten
Overheden proberen bij te sturen. Vanaf juli dit jaar mogen bedrijven in de EU geen onverkochte kleding meer vernietigen, een maatregel die een einde moet maken aan het stilzwijgend verbranden van overtollige voorraden. Daarnaast werkt de EU aan digitale productpaspoorten, waarmee consumenten straks kunnen zien uit welke materialen een kledingstuk bestaat en hoe het gerecycled kan worden. En via de zogenoemde Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) moeten kledingbedrijven in Nederland sinds 2023 meebetalen aan inzameling, sortering en recycling van hun producten.
Brouwer is positief over de maatregelen, maar plaatst een kanttekening bij de UPV. Het systeem meet succes aan de hand van hergebruik- en recyclingpercentages: hoeveel procent van wat een producent op de markt bracht, komt terug in het recyclingcircuit? Dat paste de overheid eerder succesvol toe op verpakkingen, maar het systeem laat zich niet een-op-een overnemen, volgens de onderzoeker. “Er zit een belangrijk verschil tussen verpakkingen en kleding”, zegt ze. “Een fles of een doosje wordt vaak binnen hetzelfde jaar dat het op de markt wordt gebracht, ook weer weg gegooid. Bij kleding werkt dat anders: Een jas bijvoorbeeld kan jaren meegaan. Dat verschil in levensduur maakt het lastig om recyclingdoelen te formuleren en te meten.”
Als beleid alleen kijkt naar hoeveel kleding er in het recyclingproces terechtkomt, blijft kleding die lang in gebruik blijft buiten beeld: “Dat is zonde, want hoewel die items dan niet meegenomen worden in een recycleproces, is het wel duurzaam om jarenlang met je kleding te doen”.
De rol van de consument
Naast recycling is hergebruik een voor de hand liggende oplossing: kleding die nog goed is, hoeft niet te worden afgedankt. Uit Brouwers onderzoek blijkt dat we twee tot drie van elke tien kledingstukken in onze kledingkast niet dragen, terwijl die kwalitatief prima kunnen zijn. “Zulke items kun je prima doorgeven of doorverkopen aan anderen”, zegt Brouwer. En dat doen we ook, via Vinted of kringloopwinkels. Maar toch zit daar een paradox, ontdekte Brouwer: mensen zijn bereid hun kleding aan te bieden voor hergebruik, maar kopen zelf nauwelijks tweedehands. Daardoor is
minder dan één van elke tien items in de kledingkast tweedehands.
Sijtsema begrijpt wel waarom. “Tweedehands shoppen is een fundamenteel ander proces. Meestal ligt er één exemplaar van een item, dus grote kans dat het niet jouw maat is. Je moet er dus tijd en geduld voor hebben en steeds de winkel in lopen om te kijken of het type kledingstuk dat je zoekt er nu wel ligt.” Bovendien is de milieuwinst mogelijk minder eenduidig dan het lijkt. Wie goedkoop tweedehands shopt, koopt misschien gewoon méér, of besteedt het bespaarde geld aan een nieuwe broek voor bij dat leuke tweedehands truitje.
Dit artikel is eerder gepubliceerd op de website van WUR

