Een nieuw rapport, in opdracht van RVO en op verzoek van TKI Offshore Energy, opgesteld door Haskoning, staat het zonder omwegen: de uitrol van wind op zee begint harder te lopen dan de haveninfrastructuur die alles mogelijk moet maken. Wie havens behandelt als decor – als achtergrond bij turbines en kabels – krijgt ze als hoofdrolspeler terug. Dan worden havens het knelpunt.

“De kloof tussen doelstellingen en de realiteit is groot,” zegt Bob Meijer, directeur van TKI Offshore Energy. “Zonder strategische keuzes nu zal het gebrek aan geschikte capaciteit in onze havens de uitrol van windenergie op zee vertragen. Dat heeft directe gevolgen voor de klimaatdoelen én de economische kansen die offshore wind biedt.”

Zonder ruimte op land geen windpark op zee

Elk windpark op zee begint aan wal. In havens worden onderdelen aangevoerd, opgeslagen, (voor)gemonteerd en vervolgens op installatieschepen gezet. En naarmate turbines groter en zwaarder worden, stijgen de eisen mee: kades met hoge draagkracht, diepere ligplaatsen, grotere opslagterreinen, goede ontsluiting over weg en water, én bedrijfsvoering die kan meebewegen met krappe momenten van goed weer om de zee op te gaan. Het rapport waarschuwt dat de vraag naar dit soort schaarse faciliteiten tegen het einde van dit decennium groter wordt dan het aanbod – precies wanneer het tempo omhoog moet.

Die druk komt bovendien niet alleen van Nederlandse projecten. Nederlandse havens zijn goed in wat ze doen. Zó goed dat projecten uit het hele Noordzeegebied er graag gebruik van maken. Historisch komt ongeveer driekwart van de offshorewindprojecten die via Nederlandse havens lopen uit het buitenland. Dat is een kracht, maar het betekent ook dat de beschikbaarheid voor Nederlandse windparken juist kan krimpen op het moment dat Nederland zelf piekt.

Een decennium onder spanning: 2030–2032 kraakt het systeem

De analyse in het rapport bestrijkt 2025 tot 2050 en vertaalt winddoelen naar iets waar havenbedrijven echt mee kunnen plannen: hectares, kadelengtes, bezettingsgraden en tijdslijnen. De boodschap springt eruit: er is nu al een structurele kloof tussen vraag en aanbod, die vooral in de vroege jaren dertig groter wordt. Rond 2030– 2032 bereikt de vraag een piek en de druk blijft hoog tot minstens 2040.

Het antwoord is dus niet simpelweg: “meer haven bouwen”. Het rapport becijfert dat Nederland momenteel iets meer dan 120 hectare operationele offshorewindterminals heeft, met nog eens ongeveer 100 hectare in ontwikkeling. Zelfs met die groei blijft de mismatch bestaan, zeker als je rekening houdt met de werkelijke beschikbaarheid en de internationale vraag naar dezelfde ruimte.

Twee sporen, één conclusie: investeren én innoveren – of vertraging accepteren

Het rapport pleit voor een nuchtere aanpak die een valse tegenstelling vermijdt tussen beton en bytes:

  1. Fysieke uitbreiding: nieuwe infrastructuur en upgrades die het aanbod aan geschikte terminals vergroten – niet alleen voor Nederlandse doelstellingen, maar ook om concurrerend te blijven in de bredere Noordzeemarkt.
  2. Beter benutten: innovaties die de opbrengst per hectare verhogen, omdat ruimte en kadecapaciteit op korte termijn simpelweg begrensd zijn.

Om “optimalisatie” meer te laten zijn dan een modewoord, stelt het rapport meetbare efficiëntie-indicatoren voor: van geïnstalleerd vermogen per hectare (MW/ha) tot kadebezetting, verblijftijd van componenten en doorlooptijden van schepen. Daarmee kun je prestaties vergelijken, knelpunten scherp krijgen en verbeteringen beoordelen op cijfers.

Ook schetst het rapport waar innovatie het meeste effect kan hebben: optimalisatie van de keten (zoals feedering en directe levering), slim modelleren en voorspellen (digitale coördinatie en datadeling), optimalisatie van infrastructuur, verbeteringen in equipment en handling, en logistieke concepten die extra havenruimte ‘vrijspelen’ door slimmer te schakelen tussen terminals.

Foto:  Windturbinebladen in de haven (bron/rechten: TKI Offshore Energy).

Bron: Topsector Energie