‘Werken aan SDG’s tijdens corona: deze bedrijven doen het gewoon’

Als je als bedrijf wilt bijdragen aan een betere wereld, dan zijn de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties een goed instrument. Maar is daar niet de klad in gekomen als gevolg van corona? Verrassend genoeg líjkt dat eigenlijk wel mee te vallen, blijkt uit onderzoek. Dit is wat bedrijven doen.

Met nog maar negen jaar te gaan begint de tijd te dringen: de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties lopen van 2015 tot 2030 en bestaan uit 17 ambitieuze doelen op het gebied van verduurzaming en armoedebestrijding en uit 169 concrete targets. Veel Nederlandse bedrijven werken al vanuit één of meerdere SDG’s aan een betere wereld, maar hoe is ze dat in 2020 vergaan – het jaar van de coronapandemie?

Je zou verwachten dat bedrijven wel iets anders aan hun hoofd, maar dat laatste lijkt bij de bedrijven die meededen aan een onderzoek van VNO-NCW en Global Compact mee te vallen. Op de vraag ‘Hoe heeft COVID-19 de SDG-agenda van uw organisatie beïnvloed?’,  zegt maar liefst 71 procent dat dit geen invloed heeft gehad. 19 Procent zegt dat er juist meer aandacht voor SDG’s is gekomen, 6 procent dat er een verschuiving in aandacht naar andere SDG’s is geweest. En slechts 4 procent dat er door de coronacrisis minder aandacht is voor de SDG’s.

Wat zijn de SDG’s?

Betaalbare en duurzame energie, eerlijk werk en economische groei, geen armoede meer in de wereld: het is een greep uit de Duurzame Ontwikkelingsdoelen die startten in 2015 en nog doorlopen tot 2030. Ze zijn een mondiaal kompas voor uitdagingen als armoede, onderwijs en de klimaatcrisis en de opvolgers van de Millenniumdoelen, die liepen van 2000 tot 2015. Achter de zeventien doelen zitten 169 targets. Die maken de SDG’s concreter en voor alle landen relevant. Het is van meet af aan nadrukkelijk de bedoeling dat ook het bedrijfsleven een rol speelt in het behalen hiervan. Global Compact Network Netherlands – een netwerk dat door VNO-NCW wordt gesteund – helpt ondernemers met het toepassen van de SDG-doelen in hun eigen bedrijf.

Global Compact Network Netherlands is het Nederlandse netwerk van UN Global Compact, het grootste private duurzaamheidsinitiatief gelieerd aan de Verenigde Naties. De bedrijven die lid zijn committeren zich aan de tien principes op milieu, arbeid, mensenrechten en anti-corruptie en rapporteren jaarlijks over hun voortgang. Ook acht grote Nederlandse multinationals vinden elkaar op het thema van duurzaamheid en de SGD’s binnen de tevens door VNO-NCW gesteunde Dutch Sustainable Growth Coalition. Ondernemers met duurzame ambities vinden elkaar tevens in het VNO-NCW netwerk Groene Groeiers, waarbij matchmaking en samenwerking leidt tot duurzame innovaties.

Inzet voor SDG’s juist toegenomen

Aan het onderzoek – een online enquête die begin dit jaar is uitgezet binnen de netwerken van VNO-NCW, MKB-Nederland, DSGC, Groene Groeiers, Global Compact Netwerk Nederland, MVO Nederland en Social Enterprise NL – deden in totaal honderd bedrijven mee. Tweederde van de respondenten meldt dat de inzet van hun organisatie om bij te dragen aan de SDG’s het afgelopen jaar is toegenomen. Voor de rest geldt dat dit is gelijk gebleven. Slechts één ondernemer meldt dat de inzet is afgenomen.

De deelnemers aan het onderzoek zijn dan ook tevreden over hun eigen inspanningen. Het aantal onvoldoendes dat ze aan zichzelf toekennen is op de vingers van één hand te tellen. Het gemiddelde cijfer is zelfs bijna een 8. Bijna een kwart geeft zichzelf zelfs een 9 of een 10.

Ook Cas Dings, van Dings Cartonnage, durft zichzelf wel een 8 te geven. ‘Dings wil het duurzaamste kartonnagebedrijf zijn. Wij maken producten van gerecycled karton en drukken met cradle to cradle-gecertificeerd inkten, bedrukte bierviltjes bijvoorbeeld. We hebben de afgelopen tijd veel werk gemaakt van circulariteit van grondstoffen en van energiebesparing. Anderhalf jaar geleden hebben we 524 zonnepanelen op ons dak gelegd. Daarmee voorzien we voor een belangrijk deel in onze eigen stroombehoefte.’

Klimaat en fatsoenlijke banen

De SDG’s die het breedst omarmd worden door de deelnemers aan het onderzoek zijn SDG 13: klimaatverandering aanpakken (66 procent), SDG 12: duurzame consumptie en productie (62 procent) en SDG 8: fatsoenlijke banen en economische groei (51 procent).

Otto de Bont, ceo van Renewi: ‘Door afvalstoffen een tweede leven te geven en om te zetten in secundaire grondstoffen, dragen we bij aan SDG 11 over Duurzame steden en gemeenschappen, SDG 12 over Verantwoorde consumptie en productie en SDG 13 over Klimaatactie.’

Brechtje Spoorenberg, directeur CSR bij KPN: ‘We willen bij KPN een bijdrage leveren aan een betere samenleving. Daarom zijn duurzaamheid (SDG 12), innovatie (SDG 9) en inclusiviteit (SDG 11) verankerd in onze organisatie, ons netwerk en onze producten. Dit vertalen we vervolgens naar tastbare resultaten.’


Grafiek: Link Design

Zorgen over halen SDG’s

Desondanks stelt een groot aantal deelnemers zich zorgen te maken over het behalen van de doelen in Nederland, vooral als het gaat om de SDG’s op het gebied van verduurzaming. Zo heeft 72 procent twijfels over het aanpakken van de klimaatverandering, 63 procent over het herstel van ecosystemen en behoud van biodiversiteit en 55 procent over duurzame consumptie en productie. De minste zorgen over de situatie in Nederland betreffen – niet heel verrassend voor een welvarend land als Nederland – einde aan honger, schoon drinkwater en goede sanitaire voorzieningen.

Grafiek: Link Design

De zorgen hebben waarschijnlijk ook te maken met de inschatting over hoe de rest van het bedrijfsleven omgaat met de SDG’s. Het percentage uitgedeelde onvoldoendes is hier een stuk groter: 58 procent. Gemiddeld komt het Nederlandse bedrijfsleven daarmee uit op een 5,3.

Een nog zwaardere onvoldoende krijgt de Nederlandse overheid. Faciliteert de overheid het bedrijfsleven voldoende om de SDG’s te behalen? Niet volgens de deelnemers aan het onderzoek. De overheid krijgt gemiddeld een 4,9.

Overheid kan meer doen

Volgens Leon Groot, directeur bij Scania Benelux kan de overheid hen helpen bij het realiseren van onze ambities. ‘Vooral door betrouwbaar te zijn en door bijvoorbeeld subsidie op LNG niet na twee jaar weer af te schaffen. In twee jaar schrijft een transporteur zijn vrachtwagen niet af. Periodes van 5 of 6 jaar zijn beter. We hebben het gezien op de Maasvlakte: daar werden Euro 6-voertuigen verplicht gesteld, waardoor Nederlandse transporteurs ineens hun vrachtwagens moesten vervangen, terwijl die misschien nog wel drie jaar mee hadden gekund. Tegelijkertijd werd er nauwelijks gehandhaafd op de Maasvlakte en reden er alsnog veel buitenlandse Euro 1- of Euro 2-wagens op het terrein. Zo creëer je concurrentievervalsing.’

Otto de Bont, ceo van Renewi: ‘De overheid kan helpen door een consistent en langjarig beleid uit te zetten, waarin duidelijkheid wordt gegeven aan welke eisen secundaire grondstoffen in de toekomst moeten voldoen. Zo kunnen bedrijven als wij investeren in nieuwe installaties en innovaties.’

Bedrijfsstrategie en beloningsbeleid

Op de vraag waar bedrijven het meest expliciet aandacht geven aan de SDG’s meldt de overgrote meerderheid dat te doen in de bedrijfsstrategie en in de kernactiviteiten, zoals hun producten en diensten. Ook in de contacten met externe stakeholders, zoals bijvoorbeeld ngo’s, komt het expliciet aan de orde. Opvallend is wel dat slecht 20 procent er aandacht aan geeft binnen de performance-evaluaties en het beloningsbeleid. KPN doet dat nadrukkelijk wél: ‘Circulariteit is meegenomen in de bonusafspraken voor de top van KPN’, vertelt Brechtje Spoorenberg, manager maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Waardecreatie en positief imago

Op de vraag wat de SDG-agenda nu oplevert voor het bedrijf, kiest de grootste groep (80 procent voor grotere waardecreatie op de lange termijn. Zo’n 73 procent noemt de maatschappelijke verbinding met stakeholders als belangrijke opbrengst. Een positief imago en de innovatie en ontwikkeling van nieuwe producten en diensten wordt genoemd door 70 procent. Ook noemt een meerderheid van 64 procent de aantrekkelijkheid van mijn organisatie voor nieuw personeel als kans van de SDG-agenda.

Opvallend is dat de kans die het minst genoemd wordt (door 20 procent) kostenbesparing is. Ook het beperken van de risico’s op het schenden van richtlijnen voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen is maar voor een klein deel (21 procent) van de respondenten een motivatie.

Grafiek: Link Design

Aandacht van de klant

De meest genoemde belemmering die de deelnemers ervaren als het gaat om hun betrokkenheid bij de SDG’s is ‘weinig aandacht vanuit klanten’ (39 procent). Het gebrek van level playing field wegens het ontbreken van wet- en regelgeving breekt 34 procent van de respondenten op, 29 procent heeft last van te weinig erkenning door de overheid en nog eens 27 procent van een gebrek aan harmonisatie van tools. Belemmerende overheidsregelgeving is voor 22 procent een probleem.

Cas Dings: ‘Ik ben ervan overtuigd dat steeds meer klanten duurzaamheid meenemen in hun selectieproces, hoewel de meeste klanten uiteindelijk toch voor een scherpe prijs gaan. Als de prijs niet goed is, kun je nog zo duurzaam zijn, maar dan red je het niet.’

Ook bij Scania denken ze dat klanten SDG’s en dan vooral duurzaamheid meewegen in hun aankopen, ‘maar eerlijk is eerlijk: als een klant er extra voor moet betalen, wordt duurzaamheid toch iets minder belangrijk.’

Tools die helpen bij het meten van impact zijn een breed gevoelde wens: bijna 60 procent geeft aan dat die zouden helpen. Ook een relevant netwerk van gelijkgestemde bedrijven en organisaties is nuttig volgens bijna de helft. Iets meer dan 40 procent vindt deelname aan collectieve impactprogramma’s, zoals green deals, iets toevoegen.

Grafiek: Link Design

Afvalbedrijf Renewi werkt aan veel SDG’s tegelijkertijd

Als grondstoffen de prijs zouden krijgen waarin alle milieuschade is verwerkt, zou Renewi niet langer een afvalbedrijf zijn, maar een grondstoffenbedrijf. ‘Men moet er misschien nog aan wennen, maar het principe van true pricing is natuurlijk geen gek idee’, betoogt Otto de Bont (ceo van Renewi). Nu ontbreken nog vaak de financiële prikkels om secundaire grondstoffen te gebruiken, terwijl er technisch al veel mogelijk is. Recyclen kost nu eenmaal geld. Een goed voorbeeld van terugwinning van grondstoffen is de matrassenrecycling die Renewi in een joint venture met Ikea heeft opzet: retourmatras. De Bont: ‘Jaarlijks worden 1,5 miljoen matrassen afgedankt. Een paar jaar geleden werden al die matrassen nog verbrand en verdwenen daarmee ook de grondstoffen. Eeuwig zonde natuurlijk. Nu zijn we in staat om vrijwel alle afgedankte matrassen te recyclen en de grondstoffen – metaal, textiel en foam – te hergebruiken. Het staal gaat naar de staalindustrie, het textiel wordt tot garen verwerkt door textielbedrijven en het foam wordt verwerkt in bijvoorbeeld de ondergrond- en ondervloertoepassingen in speeltuinen. Ook kan het gerecyclede foam worden gebruikt worden als ondervloer in gebouwen of isolatie.’Maar met matrassen alleen wordt de eigen ambitieuze doelstelling van Renewi nog niet gehaald. Van het afval dat het bedrijf inzamelt, komt 35 procent in de verbrandingsoven of op de stortplaats terecht. In 2025 moet dat percentage tot 25 procent zijn teruggedrongen. Vindt Renewi zelf. Door minder afval te verbranden wordt dan ook nog eens extra 0,6 Mton minder CO2 uitgestoten. Wil Nederland in 2050 volledig circulair zijn, dan moet de overheid het bedrijfsleven wel ondersteunen, vindt De Bont. ‘Die kan de vraag naar secundaire materialen stimuleren en bijvoorbeeld een doelstelling zetten op de toepassing van gerecycled materiaal, zoals nu met plastic gebeurt. Of de overheid kan bedrijven belonen voor de toepassing van secundair materiaal in het productieproces waardoor er indirect CO2 wordt bespaard.’ Maar Renewi werkt aan meerdere SDGs, bijvoorbeeld ook SDG 11, duurzamere binnensteden, zo verzekert De Bont. ‘We investeren in zero emission voertuigen en werken samen met andere inzamelbedrijven via een een collectief inzamelconcept, waarbij we ook het afval van de klanten van onze collega’s meenemen. Daarmee wordt het aantal vervoersbewegingen beperkt, CO2 bespaard en verkeersveiligheid verhoogd. Duurzaamheid is bij ons een kernwaarde.’

KPN doet het samen met zijn medewerkers en leveranciers

SDGs bereiken? Een bedrijf als KPN kan dat natuurlijk nooit zonder z’n leveranciers hierin mee te nemen. Het zijn immers andere bedrijven die de telefoons en de set top boxen produceren. En wéér andere bedrijven die de onderdelen daarvoor maken. Het is voor Brechtje Spoorenberg (manager maatschappelijk verantwoord ondernemen) daarom de kunst om anderen te overtuigen. ‘Onze leveranciers moeten meedoen anders gaan wij onze doelstellingen nooit halen. Sinds 2015 zijn we klimaatneutraal voor onze eigen bedrijfsprocessen. De logische vervolgstap was circulariteit. Daar moet je in de ontwerpfase van een product al over nadenken. Kunnen we een product aan het eind van z’n leven recyclen of uit elkaar schroeven?’ Voor een deel van de producten levert KPN zelf de specificaties aan, bijvoorbeeld bij de producenten van set top boxen. Dan heeft het bedrijf ook invloed op het ontwerp en kunnen er afspraken gemaakt worden: hoeveel gerecycled plastic wordt er gebruikt? Kan het product aan het eind van het gebruik makkelijk uit elkaar worden geschroefd? Wat daarbij lastig is, is de voortdurende innovatie bij een bedrijf als KPN: een set top box moet zó worden ontworpen dat het kan worden hergebruikt maar tegelijkertijd ook nieuwe diensten aankan. Spoorenberg: ‘Vanuit duurzaamheidsoogpunt blijft innovatie ingewikkeld. Daarom hebben we met zeventien leveranciers – goed voor 70 procent van onze hardware – het Manifest Verantwoord Inkopen en Ondernemen gesloten. Met deze groep pakken we telkens een specifiek product beet: afstandsbedieningen, modems, netwerkaansluitingen. Sommige producten hebben we kleiner gemaakt en gemakkelijker uit elkaar te halen, waardoor reparatie en recycling makkelijker worden. De nieuwe tv-ontvanger van KPN is zoveel kleiner dat er 64 procent minder plastic voor nodig is om te maken en 33 procent van de hoes bestaat uit gerecycled plastic.’ Voor Spoorenberg is het belangrijk dat alle medewerkers betrokken worden bij de SDG-doelstellingen. Dat de ontwerpers anders gaan ontwerpen, inkopers anders gaan inkopen en de dat de serviceafdeling ervoor zorgt dat mensen zo lang mogelijk met hun product doen. ‘KPN heeft de ambitie om al in 2025 een circulair bedrijf te zijn. We hebben dat doel expres heel ambitieus gesteld want dan is de boodschap dat iedereen mee moet doen. Als je de lat minder hoog legt, voelt het voor medewerkers minder als een gemeenschappelijke opgave.’

Dings Kartonnages kijkt verder dan het productieproces

Het is niet de bedoeling dat je de bierviltjes van Dings Kartonnages na gebruik op de composthoop gooit, maar het kán wel. Directeur Cas Dings: ‘Doordat wij de meeste schadelijke chemicaliën uit ons productieproces geëlimineerd hebben en onze inkten vervangen hebben door Cradle to Cradle-gecertificeerde inkten, zijn onze bierviltjes nu 100 procent composteerbaar.’ Cradle to Cradle gaat veel verder dan recycling: het idee achter de filosofie is dat álle materialen die voor het maken van  producten nodig zijn, een volgend leven kunnen krijgen. Aan het milieuvriendelijke bierviltje van Dings ging wel een lange periode van testen vooraf. Met de milieuvriendelijke inkten is het namelijk lastiger om een constante kwaliteit en steeds exact dezelfde kleur te creëren. ‘Een bedrijf als Grolsch wil natuurlijk niet dat de bierviltjes bij elke batch een andere kleur groen hebben.’ Terugkijkend op de laatste tien jaar stelt Cas Dings vast dat er in de grafische industrie ontzettend veel is veranderd. ‘Vroeger gebruikten we niet alleen schadelijke inkten, maar ook chemische middelen om de drukpers schoon te maken tussen de verschillende drukgangen door. Dat is in korte tijd veranderd.’ Voor het bereiken van de Sustainable Development Goals kijkt Dings niet alleen naar het productieproces, maar ook naar de afvalstromen van zijn fabriek. Afval blijft altijd een uitdaging. Ieder bedrijf houdt restafval over, al was het alleen maar uit de kantine. ‘We zijn bezig om de restfracties van ons restafval nog verder te beperken. Door gft-afval eruit te filteren willen we ons restafval met 40 procent reduceren.’ Anders dan het restafval valt het snijafval van de papier- en kartonproducten relatief makkelijk te recyclen. Snijresten gaan dus terug naar de papierfabriek. Dings: ‘Nieuw karton produceren uit restkarton kost zelfs minder energie dan de productie uit virgin fiber (cellulose vezels). Tegelijk kun je papiervezel niet eindeloos recyclen. In het productieproces wordt de papiervezel namelijk steeds kleiner. Op het laatst spoel je de papierdeeltjes gewoon weg met het afvalwater.’ Tijdens het afgelopen corona-jaar is Dings er niet toe gekomen om verslag te doen van de duurzaamheidsdoelstellingen, maar dit jaar zullen de SDG-prestaties zeker weer een plek krijgen in het jaarverslag, zo verzekert Cas Dings.

 

Scania wil nú doen wat er kan voor een beter klimaat

Voor Scania is duurzaamheid geen ‘bijproduct’; het truckbedrijf heeft zich tot doel gesteld om voorop te lopen in de verduurzaming van de hele transportsector. In het Engels heet die ambitie: ‘leader in sustainable transport solutions’ en ‘driving the shift’. Leon Groot (directeur marketing en communicatie bij Scania Benelux) vertaalt: ‘Dat betekent: doe wat je nú kunt doen om het klimaat te verbeteren. Wacht niet tot iemand anders de ultieme oplossing gevonden heeft.’ Als richtsnoer voor het duurzaamheidsbeleid hanteert Scania de klimaatdoelstellingen van Parijs (maatregelen die ervoor zorgen dat het klimaat met maximaal 2 graden Celsius – maar beter nog 1,5 graden Celsius – opwarmt). Daar bovenop committeert het bedrijf zich aan de Science Based Targets van de VN en het Wereld Natuur Fonds. Dit initiatief helpt bedrijven om tot wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen voor verduurzaming te komen. Op basis van die wetenschappelijke inzichten koerst Scania onder meer op een halvering van de CO2-uitstoot in 2025 ten opzichte van 2015. Vandaar dat er serieus wordt gekeken naar het gebruik van waterstof. Groot: ‘Op dit moment geloven we nog niet in waterstof als alternatieve brandstof voor vrachtwagens, maar we gaan wél waterstof gebruiken in ons staalwinningsproces. Voertuigen laten rijden op waterstof, dat kan in principe wel, maar het is op dit moment nog niet efficiënt. Niet vóór 2030 als je het mij vraagt’, aldus Groot. Maar batterijen, daar zit wél muziek in. Groot: ‘Samen met het bedrijf Northvolt zijn we bezig om batterijen geschikt te maken voor vrachtwagens. Momenteel investeren we zelfs in het bouwen van een batterijenfabriek. Daarin zien wij grote mogelijkheden. We maken inmiddels al diverse bedrijfswagens voor de bouw en voor huisvuilverzameling die volledig door batterijen worden aangedreven.’Scania doet nog meer om de SDG-doelstellingen te bereiken. Groot: ‘Zo heeft onze fabriek in de Zwolle het grootste zonnepanelendak van Nederland. Daarmee kunnen we onze fabriek helemaal van eigen stroom voorzien. Verder zijn we jaren geleden al overgestapt op watergedragen lak voor onze trucks. Dat heeft technische gevolgen: het spuitproces wordt daarmee een stuk moeilijker want water gedragen lak vloeit minder goed. Vanuit commercieel oogpunt wíl je zulke maatregelen eigenlijk helemaal niet nemen omdat het proces duurder wordt.’ Maar vanuit duurzaamheidsoogpunt dus wil Scania het dus wél.

Auteurs: Karin Bojorge, hoofdredacteur en Hester Jansen, freelance redacteur Forum (VNO-NCW)

Dit artikel is eerder gepubliceerd op de website van MKB Nederland

Share Button