In het hiernavolgende komen de volgende zaken aan de orde:
– het instrumentarium ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven in
het buitenland;
– overleg met bedrijven waarin de overheid aandeelhouder is;
– overheidsaanschaffingen;
– overzicht van bedrijven die een gedragscode hanteren;
– het gevraagde SER-advies;
– verslaglegging door bedrijven;
– de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

Het instrumentarium ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven in het buitenland

Al enige tijd wordt gewerkt aan een stroomlijning van het huidige instru-mentarium dat is gericht op ondersteuning van buitenlandse activiteiten van Nederlandse bedrijven in de vorm van samenwerking, investeringen en export. In dit proces wordt ook betrokken het ontwikkelen van
toetsingscriteria op het gebied van maatschappelijk verantwoord onder-nemen.
Die criteria moeten praktisch uitvoerbaar zijn, en gebaseerd op
internationaal aanvaarde normen. Dit alles gebeurt in overleg met de
betrokken andere ministeries en met de uitvoerders van de programma’s.
Alhoewel hiermee goede vorderingen worden gemaakt is het nog te
vroeg om daaraan conclusies te verbinden. Ik hoop die conclusies eind dit jaar aan de Kamer te kunnen voorleggen.

Overleg met bedrijven waarin de overheid aandeelhouder is
Nader onderzoek heeft uitgewezen dat slechts een klein percentage
bedrijven waarin de overheid aandeelhouder is aanmerkelijke activiteiten in het buitenland onderneemt. Zoals ik de Kamer eerder al meldde gaat het hier vooral om KPN en KLM. Beide bedrijven zijn doende hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zichtbaar te maken. KPN stelt momenteel
een gedragscode op voor zijn buitenlandse activiteiten. Men maakt
daarbij gebruik van de checklist die ik de Kamer in januari jl. ter informatie
heb overgelegd. Overigens heeft de regering, zoals aangekondigd in de
brief van 9 juni 2000 aan de vaste commissies voor Verkeer en Waterstaat
en voor Financiën, aangegeven het wenselijk en mogelijk te achten dat de
staat zich terugtrekt als bijzonder en gewoon aandeelhouder van KPN.
Bij KLM speelt vooral het milieu een belangrijke rol. Het bedrijf heeft in
december 1999 een ISO 14 001 certificering voor milieumanagement
verworven. Ik hoop later dit jaar met beide bedrijven over hun ervaringen
te spreken.

Overheidsaanschaffingen
Tijdens het Algemeen Overleg op 2 februari jl. meldde ik de Kamer dat,
alvorens tot conclusies te komen over mogelijke aanpassingen van het
beleid inzake overheidsaanschaffingen, ik eerst een tweetal mededelingen
van de Europese Commissie wil afwachten. Die mededelingen zullen
meer duidelijkheid verschaffen over de ruimte die lidstaten hebben voor
het meenemen van overwegingen op milieu-, respectievelijk sociaal
gebied. Uit Brussel is vernomen dat de mededeling over milieuaspecten
gereed is voor bespreking met de lidstaten. Naar verluidt stelt de
Commissie zich op het standpunt dat het stellen van milieueisen aan
producten op zichzelf gerechtvaardigd is, doch dat het weren van
producten vanwege de wijze waarop ze worden vervaardigd niet verenig-baar
is met het communautaire recht. Ik hoop hierover eind dit jaar meer
informatie te kunnen verschaffen.
Overzicht van bedrijven die een gedragscode hanteren
Vanuit de Kamer is gesuggereerd dat de overheid een openbaar register
aanlegt van bedrijven die een gedragscode hanteren die is gebaseerd op
de door mij opgestelde voorbeeldcode. De voorbeeldcode heeft echter het
karakter van een checklist voor bedrijven die een gedragscode willen
opstellen. Het aanhouden van een openbaar register van bedrijven die
een daarop gebaseerde gedragscode hanteren strookt niet met het
karakter van mijn voorbeeldcode.
Zoals ik de Kamer op 2 februari jl. al voorhield zou het bijhouden van een
algemeen overzicht van Nederlandse bedrijven die een gedragscode
hanteren wellicht nuttig kunnen zijn. Ik zie hier echter niet zozeer een taak
voor de overheid als wel voor overkoepelende organisaties van het
bedrijfsleven.

Het gevraagde SER-advies inzake maatschappelijk verantwoord
ondernemen
In december 1999 heb ik de SER verzocht advies uit te brengen over de rol
van respectievelijk bedrijfsleven, overheid en andere actoren bij de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Alhoewel het
accent ligt op de Nederlandse context is tevens aandacht gevraagd voor
de internationale dimensie. Voor de opstelling van dit advies is bij de SER
een speciale commissie maatschappelijk verantwoord ondernemen opge-richt
die onder leiding staat van SER-voorzitter Wijffels. Deze commissie is
al enkele malen bijeen geweest. Het streven is er op gericht om in
november a.s. met een advies te komen.

Verslaglegging door bedrijven
Tijdens het Algemeen Overleg van 2 februari jl. maakte ik melding van
mijn voornemen om het gesprek met VNO-NCW voort te zetten over
verslaglegging door bedrijven over de maatschappelijke kanten van hun
buitenlandse activiteiten. Uit mijn gesprekken met de voorzitter van
VNO-NCW is gebleken dat een convenant niet de aangewezen weg is om
bedrijven aan te sporen tot dergelijke verslaglegging. Onze gezamenlijke
conclusie is dat de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen
hiervoor in feite alle benodigde aanknopingspunten bevatten. De Richt-lijnen sommen in een afzonderlijk hoofdstuk over verslaglegging alle
relevante elementen op voor het verschaffen van duidelijke informatie aan de samenleving als geheel.
VNO-NCW hecht zoals bekend grote waarde aan een breed aanvaard
internationaal kader voor de maatschappelijke aspecten van internationaal zaken doen. Men erkent dat de OESO Richtlijnen het enige instrument zijn dat aan die eis beantwoordt, ook al is men niet op alle punten even gelukkig met de uitkomst van de herziening. VNO-NCW is bereid zijn steun aan de Richtlijnen te blijven verlenen. Omdat ik aan het zichtbaar maken van die steun grote waarde hecht heb ik met de voorzitter van VNO-NCW afgesproken dat wij een gezamenlijke inspanning zullen plegen
om de herziene Richtlijnen bekend te maken onder zowel het publiek als
het bedrijfsleven.

De OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen
In mijn brief van 10 mei jl. (26 485 nr. 8) heb ik u bericht over de herziening van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en
over de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen daaromtrent.
Het doet mij groot genoegen u te kunnen meedelen dat die onderhandelingen tot een voor Nederland aanvaardbaar resultaat hebben geleid. Daarom heb ik op 27 juni jl., samen met ministers uit in totaal 32 landen, de nieuwe Richtlijnen aanvaard.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,
G. Ybema