Naleving tal van internationale MVO-afspraken nog onvoldoende bij projecten in Azië

Op 2 april wordt in Nieuwspoort in Den Haag het onderzoek gepresenteerd van het LeidenAsiaCentre naar de arbeidsomstandigheden bij de aanleg van snelweg M4 als onderdeel van de Belt&Road Initiative in Pakistan en in de textielindustrie in de Chinese grensregio Dandong. In beide sectoren zijn Europa (w.o. Nederland) en Europese (w.o. Nederlandse bedrijven) direct of indirect, als investeerder of afnemer bij betrokken. Uit de studie komt naar voren dat naleving van tal van internationale afspraken over CSR in beide gevallen nog onvoldoende is.

Voor de constructiesector is gekeken naar de aanleg van de M-4 snelweg door Pakistan. Dit project wordt mede gefinancierd door de Asian Development Bank (ADB), de Asian Infastructure Investment Bank (AIIB) en de Department for International Development (DFID). Nederland is een belangrijke stakeholder in zowel de ADB als de AIIB. De ADB is de grootste medefinancier van het project en derhalve geldt het waarborgbeleid van deze bank. In 2001 besloot deze bank om zich als eerste multilaterale ontwikkelingsbank te committeren aan volledige naleving van de Core Labour Standards van de International Labour Organisation (ILO) en de nationale arbeidswet. Uit interviews met arbeiders die zijn ingezet in het kader van het M4-project, blijkt dat arbeidsrelaties binnen dit project grotendeels informeel zijn: veel arbeiders zijn niet officieel in dienst bij onderaannemers, en veel onderaannemers staan niet geregistreerd als bedrijf. In deze situatie bestaat de kans dat het recht op vakbondslidmaatschap en collectieve onderhandeling in het gedrang komt, en wordt de kans dat andere CLS schendingen (zoals het gebruik van kinderarbeid of gedwongen arbeid) ook plaatsvinden, vergroot. De onderzoekers stellen aan de hand van hun bevindingen vast dat er noodzaak is voor een veel uitgebreidere toezicht over de arbeidsomstandigheden binnen ADB projecten.

Voor de textielindustrie is gekeken naar de Chinese praktijk om kledingproductie uit te besteden aan Noord-Koreaanse bedrijven in de Chinese grensregio Dandong. In het kader van Corporate Social Responsibility roept deze praktijk van uitbesteding vragen op over de transparantie van productieketens. Kleding waarvan de productie is uitbesteed, krijgt niet zonder meer het label “made in North Korea”, zelfs niet wanneer bijna de gehele productie in Noord-Korea plaatsvindt. Op basis van openbaar bekendgemaakte leverancierlijsten werd een eerste lijst van Chinese leveranciers aan Europese merken samengesteld. Vervolgens werd een uitgebreide analyse van Chinese import- en exportgegevens uitgevoerd. Dit kon met behulp van de informatie van het Panjiva platform, dat het opzoeken en filteren (op HS code, datum, bedrijfsnaam, bestemming, vertrekpunt, enz.) van verzendgegevens mogelijk maakt. Met deze resultaten zijn vervolgens case studies opgesteld waarin kon worden aangetoond dat Chinese bedrijven die direct of indirect gebruik maken van Noord-Koreaanse arbeid deze producten aan grote Europese merken leveren.

De veelvoudig gedocumenteerde uitbuitingspraktijken en het gebrek aan verantwoording ten aanzien van de schending van Noord-Koreaanse arbeidsrechten bieden voldoende grond om meer transparantie te eisen over de mogelijke aanwezigheid van Noord-Koreanen in de productieketen.

De bijeenkomst begint om 13.30 met een inleiding door prof. dr. Paul van der Heijden (hoogleraar internationaal arbeidsrecht Universiteit Leiden), gevolgd door twee korte onderzoekspresentaties en afgesloten met een paneldiscussie. In het panel zitten prof. dr. Klara Boonstra (voorzitter Wiardi Beckmanstichting en hoogleraar internationaal arbeidsrecht VU), Sjoerd Sjoerdsma (lid Tweede Kamer voor D66 en buitenlandwoordvoerder) en Ruben Zandvliet (ESE Risk Advisor ABN).

Professor Remco Breuker van de Universiteit Leiden, de leider van het onderzoek, is beschikbaar voor een nadere toelichting.

 

Share Button