De meeste Nederlanders zijn voorstander van de transitie naar een meer plantaardig voedingspatroon. Dat blijkt uit een rapport van ProVeg in samenwerking met Kieskompas. Burgers leggen hiervoor veel verantwoordelijkheid bij de supermarkten, cateraars en voedselfabrikanten. Zij verwachten van deze bedrijven vergaande stappen, zoals het goedkoper maken van plantaardige producten en het vervangen van dierlijke ingrediënten door plantaardige.

Kieskompas legde voor dit onderzoek vragen voor aan ruim 9000 stemgerechtigde Nederlanders. Deze toetsen in hoeverre de deelnemers voorstander zijn van de eiwittransitie en de maatregelen die genomen kunnen worden om die te bevorderen. Hieruit blijkt een breed draagvlak voor uiteenlopende interventies die supermarkten, foodservice bedrijven en voedselfabrikanten kunnen inzetten om de overgang naar een meer plantaardig voedingspatroon te versnellen. Dit geldt niet alleen voor inwoners van de Randstad en theoretisch opgeleiden, maar voor mensen uit heel Nederland van alle opleidings- en inkomensniveaus.

  • Een ruime meerderheid van de Nederlanders (65,7%) vindt dat we meer plantaardige en minder dierlijke producten moeten consumeren.
  • Bijna driekwart van de ondervraagden wil meer plantaardige producten in de supermarkten en horeca.
  • Een meerderheid (61%) staat positief tegenover het vervangen van dierlijke ingrediënten door plantaardige, zoals ei in sauzen, boter in gebak en vlees of vis in snacks.
  • Ook het verlagen van de prijzen van plantaardige producten en het aanbieden van plantaardige producten in hetzelfde schap als de dierlijke kan op brede steun rekenen (68%).
  • De door ondervraagden gewenste eiwitverhouding is gemiddeld 43,5% dierlijk en 56,5% plantaardig, wat 6,5% meer is dan de huidige 50/50 doelstelling van de overheid.
  • De ondervraagden vinden dat voedselproducenten, supermarkten en horeca gezamenlijk meer verantwoordelijkheid dragen voor het veranderen van het voedselsysteem dan de overheid.
image

Draagvlak voor interventies door supermarkten, cateraars en producenten.

Eiwitverhouding moet omgekeerd

Respondenten werd gevraagd welk aandeel van de Nederlandse eiwitconsumptie naar hun mening dierlijk en plantaardig zou moeten zijn. De gemiddelde gewenste eiwitverhouding onder de respondenten bleek 56,5% plantaardig en 43,5% dierlijk. Dit is vrijwel exact het omgekeerde van de huidige Nederlandse eiwitconsumptie, die volgens het RIVM tussen 2019 en 2021 op 43% plantaardig en 57% dierlijk lag. De Gezondheidsraad publiceerde in 2023 een positief advies over een verhouding van 60% plantaardig en 40% dierlijk eiwit en gaf daarbij aan dat dit gezondheidsvoordelen biedt ten opzichte van het huidige Nederlandse dieet.

De transitie naar meer plantaardig voedsel speelt boven een grote rol bij het behalen van belangrijke milieudoelen zoals het afremmen van klimaatverandering en het behoud en herstel van de biodiversiteit. In Nederland heeft de overheid als doel dat de verhouding in 2030 ten minste 50/50 moet zijn. Steeds meer supermarkten en cateringbedrijven stellen zelf doelen, die vaak ambitieuzer zijn dan die van de overheid. Zo willen de meeste grote supermarkten en contractcateraars in 2025 al 50/50 bereiken en in 2030 op 60/40 uitkomen.

Vervangen van ingrediënten

“Een van de manieren waarop deze verandering kan worden gerealiseerd is het vervangen van dierlijke ingrediënten door plantaardige. Dit biedt kansen voor een zogenaamde ‘stille eiwittransitie’ waarbij bestaande producten en gerechten op een laagdrempelige manier plantaardig worden gemaakt. Door innovaties in voedingstechnologie kan dit zonder dat de klant er qua smaak of textuur iets van merkt” zegt Martine van Haperen, expert foodservice en food industry bij ProVeg Nederland.

Een meerderheid van de ondervraagden staat positief of neutraal tegenover alle voorgestelde vervangingen, van boter om in te bakken tot vis in gerechten. Er is vooral veel draagvlak voor het vervangen van boter, room, andere zuivel en ei in bakkerijproducten en sauzen (65-79%). Een ruime meerderheid (66%) is ook voor het gedeeltelijk vervangen van vlees, zoals in hybride producten. Volledige vervanging van vlees in gerechten ligt wat gevoeliger, maar ook hier antwoordt de meerderheid van de respondenten positief of neutraal (57%).

In de praktijk

Van Haperen: “Bedrijven die hun klanten willen helpen om meer plantaardig en minder dierlijk te eten, doen er goed aan om zowel rekening te houden met de meerderheid die dit graag wil als met de minderheid die tegen is. Ze kunnen gebruik maken van het hoge draagvlak voor het vergroten van het plantaardige assortiment, het verlagen van prijzen en het vervangen van ingrediënten om de verkoop van plantaardige producten op subtiele wijze te stimuleren, zonder hiermee weerstand op te roepen bij de minderheid. Op plekken waar een relatief hoog draagvlak is, zoals in een stedelijke omgeving met veel jonge mensen en theoretisch opgeleiden, is het mogelijk om plantaardige producten of gerechten de standaard te maken, zodat vlees en zuivel alleen nog op verzoek besteld kunnen worden. Ook dit wordt al veel gedaan, bijvoorbeeld op universiteiten.”