Het is dinsdagochtend. In je inbox zit een vragenlijst van je grootste klant, of een nieuwe aanbesteding: “Beschikt u over een klimaattransitieplan? Zijn uw reductiedoelen wetenschappelijk onderbouwd?” Je hebt twee weken om te antwoorden. Herkenbaar? Dan ben je niet de enige. Het klimaattransitieplan wordt in hoog tempo de standaard, en dat heeft twee belangrijke oorzaken.

De eerste is Europese regelgeving. Op 3 juli 2026 heeft de Europese Commissie de vereenvoudigde European Sustainability Reporting Standards (ESRS) aangenomen. Deze transparantie-vereisten, behorende bij de CSRD-wetgeving, zijn verplicht voor bedrijven met meer dan 1.000 werknemers en minstens € 450 miljoen netto-omzet. In de klimaatstandaard ESRS E1 staat het transitieplan centraal, met doelen die aansluiten op 1,5 graad en een route naar netto nul. Ook na de versoepelingen van het Omnibus-pakket blijft dit overeind.
Val je zelf niet onder de CSRD, dan krijg je er vaak via de keten mee te maken, want grotere bedrijven en banken vragen steeds vaker duurzaamheidsdata aan hun leveranciers.

De tweede oorzaak zijn duurzaamheidcertificeringen zoals B-corp, EcoVadis en CO2-Prestatieladder. En in het nieuwe handboek (4.0) van de CO2-prestatieladder vormt het klimaattransitieplan de kern: je moet een plan hebben dat beschrijft hoe de organisatie voor scope 1, 2 en 3 uiterlijk in 2050 klimaatneutraal wordt. Ook op trede 1 maak je al een Plan van Aanpak voor emissiereductie.

Het goede nieuws: als je onze eerdere blogs hebt gevolgd, heb je het fundament al gelegd. In klimaatblog 1 lieten we zien waarom klimaatverandering een urgent probleem is, ook voor jouw organisatie. In klimaatblog 2 gaven we vijf praktische tips voor een klimaatveerkrachtanalyse. Nu zetten we de volgende stap: Hoe maak jij een realistisch reductieplan?

Wat is een klimaattransitieplan (en wat niet)?

Een klimaattransitieplan (KTP) is een bedrijfsplan voor het verlagen van je broeikasgas-uitstoot. Het beschrijft waar je nu staat, waar je naartoe wil en hoe je daar komt. Een goed plan bestaat uit vijf bouwstenen:

  1. Startpunt: je CO2-footprint over scope 1 (eigen uitstoot), scope 2 (ingekochte energie) en scope 3 (de keten).
  2. Doelen: reductiedoelen voor de korte, middellange en lange termijn, met een route naar netto nul uiterlijk in 2050.
  3. Maatregelen: de concrete acties waarmee je die doelen haalt, van quick wins tot structurele investeringen.
  4. Governance: wie is verantwoordelijk, hoe monitor je voortgang en hoe stuur je bij?
  5. Financiering: welke investeringen zijn nodig en hoe passen die in je begroting?

Wat een klimaattransitieplan niet is: een vinkjeslijstje of een plan dat vooral op CO2-compensatie leunt, of een eenmalige exercitie. Het is een levend plan dat je jaarlijks herziet.

Begin bij wat je al weet

Een klimaattransitieplan begint niet bij nul, maar bij een nulmeting: de broeikasgasuitstoot van je organisatie in een gekozen basisjaar, verdeeld over scope 1, 2 en 3. Deze cijfers vormen het vertrekpunt waartegen je al je doelen afzet. Tegelijk laten ze zien waar je grootste uitstootbronnen zitten, waar haalbare reductiekansen liggen en waar je als organisatie echt invloed hebt.

Heb je daarnaast de klimaatveerkrachtanalyse uit blog 2 uitgevoerd? Dan weet je ook welke klimaatrisico’s en kansen voor jouw organisatie het zwaarst wegen. Leg die twee naast elkaar: de nulmeting vertelt je waar je uitstoot zit, de klimaatveerkrachtanalyse vertelt je waar je kwetsbaar bent. Maatregelen die op beide vlakken scoren, verdienen voorrang.

Een voorbeeld: blijkt uit je nulmeting dat energieverbruik een groot deel van je uitstoot veroorzaakt, en liet je klimaatveerkrachtanalyse zien dat je kwetsbaar bent voor stijgende energieprijzen? Dan zijn energiebesparing en elektrificatie niet alleen goed voor je CO2-doelen, maar verlagen ze ook je bedrijfsrisico. Zo versterken je nulmeting, je risicoanalyse en je transitieplan elkaar.

Realistische doelen stellen: twee routes

Een goed doel is ambitieus genoeg om geloofwaardig te zijn en realistisch genoeg om haalbaar te blijven. Een paar basiskeuzes maak je altijd:

  • Absoluut of relatief? Een absoluut doel (bijvoorbeeld 40% minder uitstoot ten opzichte van het basisjaar, ongeacht de omzet) is het sterkst. Een intensiteitsdoel (uitstoot per euro omzet of per product) kan aanvullend zinvol zijn als je organisatie hard groeit.
  • Basisjaar: kies een recent, representatief jaar waarvoor je betrouwbare data hebt.
  • Tijdshorizon: een tussendoel richting 2030 en een langetermijndoel richting netto nul uiterlijk in 2050.
    Daarna komt de grote vraag: laat je je doelen valideren door SBTi, of stel je ze zelf op?

Route A: met SBTi

Het Science Based Targets initiative is de internationale standaard voor wetenschappelijk onderbouwde klimaatdoelen. Een SBTi-validatie geeft externe geloofwaardigheid en wordt door veel grote klanten en investeerders inmiddels vereist.

Voor kleinere organisaties is er een vereenvoudigde en goedkopere route. De SME-route werkt met vooraf bepaalde ambitieniveaus: je maakt een keuze op basis van je ambitie en basisjaar. Bijvoorbeeld 42 procent reductie van scope 1 en 2 in 2030 ten opzichte van 2020. In de SME-route is een kwantitatief scope 3-doel niet verplicht, wel een inzet om je scope 3-uitstoot te meten en reduceren.

Let op de timing: SBTi heeft in juni 2026 een nieuwe versie van haar standaard gepubliceerd.

  • Gedurende 2026 blijft versie 1.3.1 van toepassing voor validatie.
  • Vanaf het eerste kwartaal van 2027 kun je kiezen tussen versie 1.3.1 en 2.0, en vanaf 1 februari 2028 moeten alle nieuwe doelen aansluiten op versie 2.0.

Route B: zonder SBTi

Niet elke organisatie is klaar voor, of heeft behoefte aan, een formele validatie. Dan kun je zelf doelen opstellen volgens dezelfde wetenschappelijke logica. Een veelgebruikte vuistregel voor 1,5 graad (conform het Parijsakkoord) is een absolute reductie van minimaal 4,2% per jaar voor scope 1 en 2. Voor scope 3 geldt een minimum van 2,5% per jaar, wat past bij een opwarming van ruim onder de 2 graden. Dit is vooral relevant als scope 3 minstens 40% van je totale uitstoot vormt. Richt je doel dan op minimaal twee derde van je scope 3-uitstoot, zodat je je kunt concentreren op de grootste bronnen. Zo zijn je doelen inhoudelijk vergelijkbaar, zonder validatietraject.

Deze route is sneller en flexibeler, en een prima opstap: veel organisaties beginnen hiermee en laten hun doelen later alsnog valideren zodra hun data op orde zijn.

Van doel naar actie 

Een doel zonder route is een wens. Vertaal je doelen daarom naar een routekaart in drie horizonnen:

  • Nu tot 1 jaar (quick wins): overstappen op groene stroom, energiebesparing, gedragsmaatregelen en een beter mobiliteitsbeleid.
  • 1 tot 5 jaar (structurele investeringen): elektrificatie van wagenpark en materieel, warmtepompen, zonnepanelen, duurzaam inkoopbeleid.
  • 5 jaar en verder (keten en innovatie): samenwerking met leveranciers en klanten, nieuwe productieprocessen, circulaire businessmodellen.

Koppel aan elke maatregel een verwachte CO2-reductie, een eigenaar, een planning en een investering. Zo zie je direct of de optelsom je doel haalt, en waar het gat zit.

Check jezelf

Kun je deze vijf vragen beantwoorden? Dan ben je goed op weg.

  • Weten we wat onze uitstoot is in scope 1, 2 en 3?
  • Hebben we een concreet reductiedoel voor 2030?
  • Weten we welke maatregelen het meest bijdragen aan dat doel?
  • Heeft elke maatregel een eigenaar en een budget?
  • Hoe en wanneer meten we onze voortgang?

Tot slot

Met een klimaattransitieplan leg je vast hoe je de transitie maakt, met doelen die ambitieus én realistisch zijn. Daarmee sla je meerdere vliegen in één klap. Een goed onderbouwd klimaattransitieplan is de basis voor je rapportage onder de ESRS, een voorwaarde voor B-Corp of de CO2-Prestatieladder én het antwoord op de vragen die klanten, opdrachtgevers en financiers steeds vaker stellen. Of je nu kiest voor SBTi-validatie of eerst zelf wetenschappelijk onderbouwde doelen opstelt.

Pedram Keshmiri, Sustainability consultant bij TOSCA