Bedrijven spreiden leveranciers, verplaatsen productie en leggen grotere voorraden aan om minder kwetsbaar te worden voor geopolitieke schokken. Voor ieder bedrijf afzonderlijk zijn dat verstandige beslissingen. Maar als veel bedrijven dezelfde keuzes maken, kan de uitkomst zijn
dat ze samen kwetsbaarder blijven dan ieder afzonderlijk bedoelde.

Deze week ben ik in New York voor Climate Week en de High-Level Week van de Verenigde Naties. In gesprekken met bedrijven gaat het veel over geopolitieke onzekerheid en de-risking. In de European Business Survey, een vorige week verschenen pilot onder 228 bedrijven die in Europa actief zijn, zegt 58% van de respondenten markten te spreiden om geopolitieke risico’s te verkleinen.

De vraag is waar al die afzonderlijke beslissingen uiteindelijk toe leiden. Neem gallium, dat onder meer in halfgeleiders wordt gebruikt. Meer dan 90% van de geraffineerde productie komt uit China. Het Griekse Metlen werkt aan een productielijn van ongeveer 50 ton per jaar, genoeg voor de huidige Europese vraag. Amerikaanse en Japanse afnemers hebben belangstelling getoond. Europese klanten zijn volgens Metlen terughoudender. Dat is niet vreemd. Chinese producenten zijn goedkoper. Metlen moet de productie nog opstarten en een contract voor jaren beperkt de bewegingsvrijheid. Voor een individuele inkoper kan wachten heel verstandig zijn. Geen enkele Europese afnemer neemt in zijn eentje 50 ton gallium af. Bedrijven hebben wel gezamenlijk belang bij een tweede leverancier, maar de kosten en risico’s van een vroeg contract liggen bij degenen die als eerste tekenen.

Een bedrijf kan dus over vijf jaar graag een tweede leverancier willen, terwijl het vandaag goede redenen heeft om zich nog niet vast te leggen. Als veel afnemers dezelfde conclusie trekken, wordt het lastiger om de capaciteit te financieren die zij later nodig hebben.

Ook niet tekenen is een keuze.

Er is nog een andere manier waarop de-risking nieuwe afhankelijkheden kan opleveren. Vorige week maakte Applied Materials bekend de komende tien jaar $5 mrd in India te investeren. De Amerikaanse fabrikant van chipapparatuur breidt er zijn onderzoek uit en gaat lokale
leveranciers helpen ontwikkelen. India probeert al langer een grotere chipindustrie op te bouwen. Dat geeft bedrijven meer mogelijkheden om hun ketens te spreiden. Maar wie productie verplaatst, laat risico niet achter. Een nieuwe locatie kent andere afhankelijkheden, zoals
energie, infrastructuur, geschoold personeel en lokale leveranciers. Als veel bedrijven bij hun zoektocht naar spreiding op dezelfde plaatsen uitkomen, kan daar opnieuw een concentratie ontstaan.

Daar zijn geen slechte bedrijfsbeslissingen voor nodig. De inkoper die voor de bewezen leverancier kiest, doet zijn werk. Het bedrijf dat productie verplaatst naar een aantrekkelijker land waarschijnlijk ook. Het probleem zit in de optelsom. Dat hoort ook in de bestuurskamer thuis. Wie een afhankelijkheid als strategisch risico aanmerkt, moet niet alleen kijken naar de beste beslissing voor het eigen bedrijf op dit moment.

De vraag is ook wat er gebeurt als andere bedrijven ongeveer dezelfde keuze maken.Voor nieuwe productie kan dat betekenen dat afnemers eerder een deel van hun toekomstige vraag vastleggen. Dat hoeft niet ieder voor zich. Via de Sustainable Aviation Buyers Alliance legden bijna twintig organisaties in 2024 samen circa $200 mln vast voor de aankoop van duurzame vliegtuigbrandstofcertificaten over vijf jaar. Ook in de staalindustrie wordt vraag van bedrijven gebundeld om producenten meer zekerheid te geven voor investeringen in nieuwe productie. De IEA telt meer dan zeventig organisaties met zulke toezeggingen via verschillende staalinitiatieven.

Gallium is een andere markt, maar het probleem is vergelijkbaar. Nieuwe capaciteit is moeilijker te financieren als potentiële klanten wachten tot iemand anders als eerste tekent. Door vraag te bundelen hoeft dat risico niet bij één bedrijf terecht te komen. Dat kan verkeerd uitpakken. Een nieuwe fabriek kan tegenvallen en een contract kan achteraf te duur blijken. Maar bedrijven kunnen niet tegelijkertijd meer alternatieven willen en verwachten dat iemand anders het risico neemt om ze te bouwen.

De-risking is nodig. Een economie wordt alleen niet automatisch weerbaarder doordat ieder bedrijf afzonderlijk zijn eigen risico verkleint. Nieuwe capaciteit vraagt om klanten voordat alle onzekerheid verdwenen is. Bedrijven die daar later van willen profiteren, zullen daar soms eerder aan moeten bijdragen. Anders kunnen verstandige bedrijfsbeslissingen samen precies de afhankelijkheid in stand houden die iedereen probeert te verkleinen.

Stefanie Ros, head of participant engagement bij de United Nations Global Compact

Dit opinie-artikel is na redactie eerder verschenen in het FD