Wat was het toch warm deze zomer. Nu dat het een beetje regent zijn we binnen een week bijna vergeten hoe droog en heet het was. Maar het was een zomer die records brak. Hittegolven, natuurbranden, evacuaties en droogvallende rivieren. Terug aan de slag na zo een zomer is het echter altijd een goed moment om, met de voetjes op het bureau, de analyse te maken.
Dat we iets moeten is denk ik wel duidelijk en ik hoor eigenlijk niemand meer ontkennen dat er een echt probleem is. Dat station zijn we inmiddels wel voorbij. Maar hoe zijn de meningen verschoven en wat voor een impact heeft dat. Hierbij moeten we niet uit het oog verliezen dat klimaatopwarming bij uitstek een wereldwijd probleem is. Dus de vraag hoe anderen buiten Europa hierover denken is niet onbelangrijk.
Het debat is verschoven van niet óf, maar hoe snel en wie betaalt
De discussie gaat dus allang niet meer over de vraag of het klimaat verandert. De echte scheidslijnen lopen nu langs andere breuken: hoe erg wordt het, hoe snel moeten we handelen, en wie draait op voor de kosten? Grofweg zien we vijf stromingen. De wetenschappelijke consensus: opwarming is echt, door de mens veroorzaakt en vraagt om snelle verduurzaming. Lauw scepticisme: ja, het warmt op, maar de gevolgen worden overdreven en aanpassen is goedkoper dan voorkomen. Dit is de nette opvolger van de oude ontkenning en is in bepaalde kringen heel populair. Dan speelt het kostenargument, (politiek het krachtigst): het probleem is echt, maar het beleid is te duur, te snel of zinloos zonder China en India. Denk aan boerenprotesten en het verzet tegen warmtepompverplichtingen. Minder populair is het techno-optimisme: innovatie zoals goedkope zonnepanelen, batterijen, kernenergie, carbon capture lost het op zonder dat we onze levensstijl hoeven aan te passen. En tot slot het klassieke doemdenken: het is toch al te laat. Zoals de Engelsen mooi zeggen; we are toast. Overigens wijst de wetenschap dit laatste stellig af. Elke tiende graad die we vermijden telt en gecombineerd met aanpassen overleven we waarschijnlijk wel.
De dominante mening in de westerse politiek is dus ja we moeten wat doen, maar niet op deze manier, niet zo snel en niet op mijn kosten.
Zoals ik al opmerkte is het echter een mondiaal probleem. Het is dus van belang om ook te kijken naar de meningen in andere delen van de wereld. Daar zijn opvallende verschillen per regio. De Verenigde Staten zijn de uitzondering. Nergens is klimaat zo’n partijpolitieke identiteitskwestie. De zorg is er wel, maar het is niet belangrijk. Klimaat scoort amper 3% als belangrijkste verkiezingsthema, ver achter economie en immigratie. Helaas gaat het debat er deels nog steeds over de vraag óf het probleem echt serieus is.
In Europa accepteert vrijwel het hele politieke spectrum de wetenschap. Zo’n 87% van de Europeanen vindt zelfs dat de eigen overheid te traag handelt. Maar Europa is ook de plek waar de tegenreactie op het “beleid” het felst is. De discussie gaat over tempo en lastenverdeling, niet over de feiten. Als belangrijke emittent rapporteert China in enquêtes de hoogste bezorgdheid ter wereld én het meeste optimisme. Van de ondervraagden denkt 80% dat klimaatverandering omkeerbaar is. Klimaat is er geen moreel debat maar een industriepolitiek uitgangspunt. Een mondiale dominante positie in zon, batterijen en elektrische auto’s als nationaal economisch project. Georganiseerde scepsis zoals in het Westen bestaat er nauwelijks.
Dan nog het mondiale Zuiden. Helaas is het daar geen debat meer maar dagelijkse realiteit. In Bangladesh, Kenia en India bijvoorbeeld vreest 80 tot 90% van de mensen binnen een jaar gevolgen voor hun bestaan. De inzet is daar: aanpassing, schadecompensatie en de vraag wie historisch verantwoordelijk is. Eigenlijk is het in sommige regio’s nu al overleven met de gevolgen.
Samenvattend: de VS discussiëren toch nog over “of”, in Europa is de vraag “hoe snel en wie betaalt”. China behandelt klimaatverandering als industriebeleid en past zich ondertussen aan. In belangrijke regio’s van het mondiale Zuiden is het een overlevingsvraagstuk geworden.
En wat moeten wij dan doen, als Nederlands bedrijf?
De logische vraag die je stelt is natuurlijk wat heeft dit nu allemaal met ons bedrijf te maken? En je hoeft als ondernemer natuurlijk geen positie te kiezen in dit wereldwijde debat. Maar je kunt wél laten zien dat je het snapt. Dat je begrijpt dat er ook voor je bedrijf gevolgen kunnen zijn en dat je daar al over nadenkt.
Dan is de meest concrete eerste stap: maak een EU conforme duurzaamheidsjaarrekening volgens het nieuwe VSRS model. Dit is de gloednieuwe Europese standaard voor duurzaamheidsrapportage. Op vrijwillige basis en bedoeld voor alle bedrijven met minder dan 1000 werknemers. Niet te zwaar, goed te doen en wettelijk verankerd binnen de EU. Vergelijk het met een verkorte balans in de KvK jaarrekening.
Hiermee heb je een objectieve nulmeting te pakken van o.a. energieverbruik, CO₂-voetafdruk en de sociale kant van je bedrijf. Je weet dus waar je staat. Dat kan vervolgens dienen als basis voor beleid maar dat hoeft niet eens. Alleen al door het zo te doen laat je aan de buitenwacht (klanten, ketenpartners en financiers) zien dat je het begrepen hebt. En dat je bent voorbereid op duurzaamheidsvragen die bijvoorbeeld grote, rapportage plichtige klanten steeds vaker aan hun leveranciers stellen.
Meten is weten en een objectieve duurzaamheidsbalans maken is een perfect uitgangspunt. Hiermee heb je inzicht in waar het bedrijf nu staat. Dat is wat mij betreft na een zomer als deze misschien wel de meest zinnige conclusie.
Michiel Slinkert, Co-Founder Eevery NL and Eevery UK


