Wageningen University & Research (WUR) heeft de maatregelen geïnventariseerd om de emissie van bioaerosolen (zwevende deeltjes en druppeltjes met onder andere micro-organismen) uit geitenhouderijen te verminderen. Aanleiding voor het onderzoek is de zorg over de blootstelling van omwonenden aan bioaerosolen uit geitenbedrijven. “Uit ons onderzoek blijkt dat er geen ‘ideale maatregel’ is waarmee alle emissies in één klap tot het verleden behoren, die weinig kost en op alle bedrijven inzetbaar zou zijn. Wel zijn er verschillende groepen maatregelen die allemaal in bepaalde mate kunnen bijdragen. Onze bevindingen kunnen dienen als basis voor gesprekken over de verdere ontwikkeling van de geitensector. Daarnaast biedt het rapport handvatten aan geitenhouders die direct aan de slag willen met het verminderen van emissies”, aldus WUR-onderzoeker Albert Winkel.

Het onderzoek naar mogelijkheden voor emissiebeperking in de geitenhouderij werd gedaan in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur (LVVN). De inventarisatie van de WUR-onderzoekers resulteerde in een lijst van zo’n 100 maatregelen die zijn vastgelegd in het rapport ‘Verkenning van maatregelen voor het verminderen van emissies van bioaerosolen uit melkgeitenbedrijven’. Voor elke maatregel in het rapport dat vandaag is aangeboden aan het ministerie van LVVN, is een zogenoemde expertscore opgesteld voor de verwachte effectiviteit. Ook is gekeken naar toepasbaarheid en draagvlak. Het rapport besluit met een aantal groepen van maatregelen die de onderzoekers perspectiefvol vinden voor de verdere ontwikkeling van de geitensector en directe toepassing in de praktijk.

Geen ‘ideale’ maatregel

Een ideale emissiebeperkende maatregel zou emissies sterk verminderen, breed toepasbaar zijn, geen ongewenste neveneffecten hebben, betaalbaar zijn en op veel draagvlak kunnen rekenen. Zo’n maatregel vonden de onderzoekers niet voor de melkgeitenhouderij.
De gevonden oplossingen variëren van managementmaatregelen in de stal (gericht op bronnen en processen die leiden tot verspreiding door de lucht) tot ‘end-of-pipe’ maatregelen (zoals het reinigen van uitgaande ventilatielucht) en herontwerp van stallen bij nieuwbouw of renovatie. “In het algemeen heeft aanpak bij de bron de voorkeur van veehouders, omdat deze ook de blootstelling van dieren, veehouders en medewerkers kan verminderen”, licht WUR-onderzoeker Albert Winkel toe.

Kansen op korte termijn

Metingen in geitenstallen laten zien dat emissies van bioaerosolen overdag hoger en grilliger zijn dan ’s nachts. Vooral tijdens instrooien – en ook bij uitmesten – van de stropotstallen kunnen forse pieken optreden. Tijdens deze momenten worden werknemers en dieren sterk blootgesteld aan bioaerosolen. “Het voorkomen van die dagelijks terugkerende piekbelasting, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het beperken van de blootstelling”, aldus Winkel.

Volgens de WUR-onderzoekers kunnen stofarm instrooien en het beperken van piekemissies bij uitmesten goede speerpunten zijn in de verdere uitwerking en toepassing in de geitenhouderij. Dit vraagt een aanpassing in de bedrijfsvoering. “Het effect daarvan draagt direct bij aan het verminderen van de bioaerosolemissie.” Alternatieven voor het stofarm instrooien zijn onder andere het instrooien met beweegbare ruiven of verspreiding via leidingen. Het verminderen van emissiepieken bij uitmesten is in de praktijk lastiger te realiseren, erkennen de onderzoekers. “Maar ook daar zien we mogelijkheden.”

Stapelen van maatregelen

Naast maatregelen met mogelijk grote impact zijn er ook veel opties die relatief eenvoudig toepasbaar zijn met minder groot effect op de emissiereductie. “Door meerdere van die maatregelen te combineren kan een stapeling van effecten ontstaan. Alle kleine beetjes helpen”, aldus Winkel. Hij denkt daarbij bijvoorbeeld aan dakisolatie bij renovatie of nieuwbouw, koeling in warme perioden, verbeterde hygiëne en bioveiligheid, reiniging van watersystemen en stofarm voeren.

Potentie van mechanische ventilatie met luchtreiniging

Het merendeel van de geitenstallen in Nederland is natuurlijk geventileerd. Een verschuiving naar mechanische ventilatie zou een grote verandering zijn voor de geitenhouderij. “In combinatie met luchtreiniging kan deze overstap wel zorgen voor een aanzienlijke reductie van bacterie-emissies. Afhankelijk van de toegepaste techniek zijn emissiebeperkingen van 50 tot dicht bij 100 procent haalbaar”, stellen de onderzoekers. Winkel benadrukt dat daarvoor wel een integrale afweging nodig is, omdat de wijziging raakt aan bredere thema’s, zoals energieverbruik, stalontwerp en dierwelzijn.

Mestopslag

De mest die vrijkomt bij het uitmesten van de potstal wordt als regel buiten opgeslagen. Ook uit deze mestopslag komen bioaerosolen vrij, bijvoorbeeld bij het storten en omzetten, maar ook door windemissie. Een inpandige mestopslag vermindert die emissies. “Daarnaast is het direct afzetten van de mest naar composteringsbedrijven het overwegen waard. Stel jezelf de vraag of het in jouw situatie niet beter is om de mest bijvoorbeeld af te voeren. Daarmee ben je een directe bron van stof- en ammoniakemissies kwijt ”, aldus Winkel. Daarnaast wijzen de WUR-onderzoekers op het belang van compostering van de stromesthoop. Omdat veel bacteriën niet thermofiel (warmteminnend) zijn, kan voldoende verhitting (55 – 60 °C) leiden tot sterke afname ervan. In de praktijk is nog onvoldoende bekend in hoeverre dit op geitenbedrijven wordt bereikt.

Keuzes en doorontwikkeling

“Onze inventarisatie levert een klein aantal kant-en-klare oplossingen op die direct inzetbaar zijn voor geitenhouders. “Maar ons rapport wijst vooral op groepen maatregelen voor besluitvorming en vervolgonderzoek”, benadrukt Winkel. Volgens de onderzoekers is een integrale discussie met alle belanghebbenden wenselijk om zo tot een weldoordacht en breed gedragen pakket aan maatregelen te komen. “Daarnaast is meer onderzoek nodig om de effectiviteit van reductiemaatregelen van micro-organismen, fijnstof, endotoxinen en ammoniak in de geitenhouderij betrouwbaar vast te stellen”, besluit Winkel.

Bron: Wageningen University & Research (WUR)