Van Ardenne: ‘Graag bijdrage van bedrijven’

(Gepubliceerd in Het Financieele Dagblad van 5 september 2002). Agnes van Ardenne, staatssecretaris Ontwikkelingssamenwerking, zit net vijf weken op haar nieuwe stoel. Toch maakt ze hier in Johannesburg een geroutineerde indruk. Eerder opgedane kennis over arme landen en de thema's van deze duurzaamheidstop werpt zijn vruchten af. Nederland is een van de weinige landen in de wereld die zich aan het afgesproken percentage van 0,7 van het bruto binnenlands product houden voor ontwikkelingshulp, met steun voor energie erbij zelfs 0,8. Het nieuwe kabinet zal daar niets aan veranderen, maar Agnes van Ardenne heeft wel het voornemen uitgesproken om het Nederlandse bedrijfsleven meer bij de ontwikkelingshulp te betrekken. De eerste aanzet daartoe is al gemaakt op deze VN-conferentie in Johannesburg via de keuze van de Verenigde Naties voor een grotere samenwerking met het bedrijfsleven bij projecten voor water, energie, gezondheid, landbouw en biodiversiteit.

Van Ardenne: ‘De keuze van Nederland voor de drie aandachtspunten water, energie en partnerschappen, gericht op Afrika, was al eerder gemaakt. Wij stapten als het ware op een rijdende trein, maar we kunnen ons er goed in vinden. Collega Van Geel heeft de duurzame energie onder zijn hoede. Ik houdt me hier bezig met water. Ik ben heel erg gecharmeerd van de Nederlandse waterschappen, om dat te implementeren in Afrika. Bij zo’n systeem worden de lokale gemeenschappen, de lokale overheden en het bedrijfsleven betrokken. Er moet een structuur komen in de watervoorziening wil het op de lange termijn duurzaam zijn. De betrokkenheid van de lokale gemeenschap bij de eigen watervoorziening is daarom heel belangrijk. Door de privatisering van de watervoorziening in ontwikkelingslanden dreigt de consument tussen de wal en het schip te vallen. Door een betere organisatie kan dat worden voorkomen en dat hoeft helemaal niet zoveel geld te kosten.’

Van Ardenne heeft afgelopen vrijdag voor een periode van vijf jaar euro 25 mln uitgetrokken voor een speciaal programma voor voedselzekerheid en de relatie met waterbeheer.

Honger en aids zijn de grootste problemen die Afrika nu teisteren. Van Ardenne kan nog boos worden over de mislukte conferentie van de voedsel- en landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties. ‘We zitten al bijna met 13 miljoen mensen met honger omdat de FAO geen nieuwe structuur kan bedenken voor de landbouw.’

Ontwikkelingshulp gaat Van Ardenne aan het hart. ‘Ik heb veel gereisd. In Soedan kwam ik artsen tegen die hun praktijk in Nederland verkochten om in een burgeroorlogsgebied mensen weer op te lappen. Die mensen kom je overal tegen. Ontwikkelingssamenwerking zal geen gemakkelijke taak worden, wel een dankbare taak. We moeten armoedebestrijding combineren met duurzame ontwikkeling.’

Van Ardenne is onder de indruk van de eigen initiatieven die het Nederlandse bedrijfsleven heeft ontplooid in Zuid-Afrika. ‘Hier hebben jonge ondernemers hun eigen havenbedrijf. Zij zetten dan voor de jonge mensen hier een speciale havenvakschool op. Zo zijn hier ook op Nederlands initiatief opleidingen voor toerisme ontstaan. De jonge mensen hier moeten werk hebben, zo kan de armoede aangepakt worden. Het is aan de ene kant eigenbelang van bedrijven omdat ze goed personeel nodig hebben, maar aan de andere kant kunnen zij zich niet meer onttrekken aan de behoeften en vragen van de maatschappij. Het ene bedrijf doet het groot, het ander doet het klein.’

Als ze terug is in Den Haag zal Van Ardenne zich richten op de markttoegang van producten van de armste landen. De Deense EU-voorzitter Rasmussen heeft beloofd om alle tarifaire en quota-obstakels voor die landen te laten verdwijnen. Van Ardenne moet daar wel een beetje om lachen. ‘Ik vind dat lippendienst. De problemen voor de ontwikkelingslanden zijn niet alleen de tarieven en de quota’s, maar de kwaliteitseisen die wij in het Westen stellen aan bijvoorbeeld voedselproducten, de fytosanitaire regels. Ik heb een partnerschap opgezet zodat wij voedselproducten uit Indonesië en Maleisië op een dusdanig kwaliteitsniveau kunnen krijgen dat hun markttoegang tot Europa wordt vergroot.’

Marleen Janssen Groesbeek

Share Button