Studie PwC: “Klimaatbeleid industrie met CO2-heffing kan industrie doen vertrekken”

Bron
PwC

In de Miljoenennota werd aangekondigd dat in 2021 een nationale CO₂-heffing wordt geïntroduceerd voor industriële productie en afvalverbranding (Wet CO₂-heffing industrie). Deze heffing wordt naast het bestaande systeem voor CO₂-beprijzing op het niveau van de EU (EU-ETS) geïntroduceerd. Naast de CO₂-heffing zijn in de Miljoenennota aanpassingen voorzien in de heffing van energiebelasting/opslag duurzame energie (EB/ODE) en loopt dit jaar de subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS af.  PwC heeft een studie uitgevoerd met een integrale analyse over de concurrentiële gevolgen van een aantal klimaatbeleidinstrumenten, waaronder de CO₂-heffing, de verschuiving van de EB/ODE lasten, de afschaffing van de indirecte kostencompensatie ETS, SDE++ en EIA subsidies. Deze studie is op Prinsjesdag 2020 gepubliceerd. 

De belangrijke conclusies zijn:

Weglekeffecten

Het huidige klimaatbeleid brengt het risico tot weglekeffecten met zich mee.

Verschillende maatregelen (waaronder de CO₂-heffing maar ook de veranderingen in de EB/ODE en de afschaffing van de indirecte kosten compensatie voor EU ETS) leiden tot een kostprijsverhoging voor de Nederlandse industrie. Vanwege de beperkte mogelijkheid de afzetprijzen te verhogen zonder verlies aan marktaandeel, en beperkte emissiereductie-opties voor de industrie in de komende 10 jaar, heeft de kostenverhoging naar verwachting een negatieve impact op de financiële resultaten van de Nederlandse industrie. Deze conclusie geldt voor alle 9 onderzochte sectoren.

Uit gedetailleerde case studies met een drietal bedrijven blijkt dat de negatieve impact significant kan zijn. Deze kan, onder de gemaakte aannames, variëren van circa 8% tot circa 52% van de EBITDA in het middel hoge heffing scenario (heffing van 30 euro per ton in 2020 oplopend tot een heffing van 120 euro in 2030). In het hoge heffing scenario kan het effect oplopen tot ~75% van EBITDA. Bij beide scenario’s hebben we rekening gehouden met een reductiefactor die afloopt van 1,2 naar 0,75 (deze factor vermenigvuldigd met de efficiënte emissies, bepaalt de vrijgestelde emissies). Hierdoor ontstaat het risico op weglekeffecten van zowel economische activiteiten als de emissies.

Subsidies

Er is meer onderzoek nodig naar de toereikendheid van de subsidies.

  • Voldoende en tijdige subsidies kunnen de negatieve financiële gevolgen mitigeren doordat het bedrijven in staat stelt emissies te reduceren. Echter, op dit moment is onzeker of de subsidies toereikend zijn om de onrendabele top van de nodige investeringen te dekken. Er is immers onduidelijkheid over de omvang van de onrendabele top en de hoeveelheid beschikbare subsidies.
  • Niet alle bedrijven zullen door subsidies geholpen worden, onder andere omdat ze aangewezen zijn op duurdere emissiereductie-opties, niet alle emissiereductie technologieën in aanmerking komen voor subsidies, en voor sommige bedrijven de transport- en infrastructuurkosten van de emissiereductie niet worden gedekt door de subsidies.
  • De vormgeving van de subsidieprocedures verdient ook aandacht vanwege het kip-en-ei-probleem: subsidie wordt pas gegund indien het bedrijf kan aantonen dat er reële stappen zijn genomen (zoals getekende contracten met infrastructuur leveranciers). Deze stappen kunnen echter alleen worden genomen als meer duidelijkheid bestaat over de beschikbaarheid van subsidies.
  • De SDE++ heeft een focus op korte termijn kostenefficiëntie. Meer aandacht is nodig voor subsidies die zien op kostenreductie van emissiereducerende technologieën omdat kostenreductie de onrendabele top van emissiereducerende technologieën verlaagt, wat leidt tot een lagere noodzaak van de subsidies.

Share Button