De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor ongeveer 40 procent van de totale CO₂-uitstoot in Nederland. Daarmee is het een belangrijke pijler in het behalen van de klimaatdoelen. Des te opvallender is het dat het beheer van veel utiliteitsgebouwen nog altijd gebeurt volgens principes uit de vorige eeuw. Volgens Pieter-Jan van Hooijdonk, directeur Maincontracting bij Croonwolter&dros, ligt daar een probleem. “Pas wanneer er een storing optreedt, een monteur wordt ingeschakeld of een onderdeel vervangen moet worden, ontstaat het gevoel dat er iets gebeurt. Maar de waarde zit juist in wat er preventief gebeurt. Dat installaties blijven draaien, processen niet stilvallen en energie die niet onnodig wordt verspild”, aldus van Hooijdonk.

Van reactief naar voorspellend beheer

Die verschuiving van reactief naar proactief en voorspellend beheer blijft in de praktijk vaak uit. De integrale aanpak waarin onderhoud, verduurzaming en compliance met wetgeving samenkomen ontbreekt. Daardoor blijven gebouwen inefficiënt functioneren en worden optimalisatiekansen gemist.

Nieuwe regelgeving benadrukt de urgentie. Zo verplicht de GACS-wetgeving (Gebouwautomatiserings- en controlesystemen) eigenaren van utiliteitsgebouwen om hun energieverbruik inzichtelijk te maken en actief te monitoren. Ook bredere ESG-vereisten vragen om transparantie, meetbaarheid en aantoonbare prestaties. Toch zijn veel organisaties hier nog onvoldoende op voorbereid.

Het gevolg is tweeledig: enerzijds blijven aanzienlijke CO₂-reducties uit, anderzijds lopen organisaties financieel risico door inefficiëntie, storingen en onverwachte uitval. Van Hooijdonk laat weten dat het zonde is dat veel bedrijven wachten tot het te laat is, want de technologie is er allang.

Technologie is er, benutting blijft achter

Innovaties op het gebied van datagedreven gebouwbeheer maken het tegenwoordig mogelijk om installaties continu te monitoren, afwijkingen vroegtijdig te signaleren en onderhoud te voorspellen voordat problemen zich voordoen. Dit voorkomt niet alleen storingen, maar zorgt ook voor een efficiënter energiegebruik. Van Hooijdonk zag in de praktijk hoe deze aanpak direct waarde oplevert. “We hebben meerdere keren gezien dat beginnende storingen tijdig werden gesignaleerd dankzij goede monitoring. Daardoor konden productieprocessen gewoon doorgaan. Stilstand werd voorkomen en de besparingen waren aanzienlijk. En dat alleen omdat er werd ingegrepen voordat iemand überhaupt doorhad dat er iets mis was.”

Gebouwbeheer als strategische verantwoordelijkheid

De kern van het probleem ligt volgens Van Hooijdonk niet in technologie, maar in bewustwording. Zolang gebouwbeheer wordt gezien als een bijzaak, blijven organisaties kansen missen. De sleutel ligt in het erkennen van gebouwbeheer als onderdeel van de bedrijfsvoering. Alleen dan kunnen organisaties hun gebouwen toekomstbestendig maken en een bijdrage leveren aan de energietransitie.

“Het wordt tijd dat organisaties anders gaan kijken naar hun gebouwen,” concludeert Van Hooijdonk. “Niet als kostenpost, maar als strategische asset. Wie dat nu goed inricht, plukt daar de komende jaren de vruchten van.”