Europese overheden willen de energie-intensieve industrie helpen om concurrerend te blijven én klimaatdoelen te halen. Nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat zien dat de meeste vormen van steun de positie van bedrijven versterken, maar de uitstoot in Nederland en Europa, ondanks het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS), verhogen. Directe steun voor CO2-reductietechnologiëen verlaagt wel de CO₂-uitstoot, maar helpt bedrijven minder in de concurrentiestrijd. Doordat schonere Europese productie vervuilendere productie elders kan vervangen, kan de wereldwijde uitstoot in sommige gevallen dalen.
Het onderzoek vergelijkt vier mogelijke vormen van steunmaatregelen – een productiesubsidie, lagere energiebelastingen, lagere elektriciteitskosten en subsidies voor CO₂-reductietechnologieën – en kijkt wat er gebeurt als Nederland, Duitsland en Frankrijk vijf jaar lang gezamenlijk steun geven aan hun energie-intensieve industrie. Met een economisch model is berekend wat dit betekent voor de concurrentiepositie en uitstoot in deze landen, in de rest van Europa en wereldwijd.
Dit onderzoek houdt expliciet rekening met het EU ETS, zoals het nu is vormgegeven. Door de zogenoemde marktstabiliteitsreserve (MSR) binnen het EU ETS ligt het Europese emissieplafond niet meer vast. Daardoor leiden veranderingen in uitstoot vanwege nationaal (klimaat)beleid daadwerkelijk tot een stijging of daling van de totale uitstoot in de EU.
Concurrentiepositie industrie versterkt
Maatregelen die de productiekosten direct verlagen – zoals een productiesubsidie, lagere elektriciteitskosten of lagere energiekosten – zorgen ervoor dat de concurrentiepositie van bedrijven verbetert, waardoor ze meer gaan produceren. Subsidies voor schone technologieën (zoals de SDE++) zorgen dan weer nauwelijks voor een verbeterde concurrentiepositie.
Effecten op uitstoot
Opvallend is de rol van het huidige ETS. Een subsidie voor schone technologieën verlaagt de uitstoot omdat er via het MSR rechten uit de markt worden gehaald. De andere steunmaatregelen gericht op kostenverlaging van de industrie hebben het omgekeerde effect en verhogen juist de uitstoot en het aantal rechten. Dit effect is het grootst bij een verlaging van energiekosten omdat ook fossiele brandstoffen goedkoper worden. Verlaging van elektriciteitskosten maakt industriële productie schoner, maar verhoogt de uitstoot bij elektriciteitsproductie wat per saldo leidt tot meer emissierechten. De toename van emissierechten is het minst bij een algemene verlaging van de productiekosten. Tegelijkertijd kan de wereldwijde uitstoot wel dalen, omdat relatief schone Europese productie vervuilendere productie buiten Europa vervangt.
Implementatie
Vanwege Europese staatssteunregels is een productiesubsidie lastig te implementeren, terwijl het verlagen van elektriciteitskosten beter uitvoerbaar is. Subsidies voor schone technologieën kunnen complementair zijn aan steun om de concurrentiepositie te verbeteren en helpen om klimaatdoelen te halen.
Bron: CPB

