‘s Werelds eerste CCS-project waarbij op grote schaal CO2 wordt verscheept en in een ander land in de grond wordt gestopt om zo tot 800.000 ton CO2 per jaar niet de lucht in te laten gaan. Gijsbrecht Gunter is trots. Trots dat hij samen met zijn collega’s bij Yara Sluiskil, een meststoffenproducent, medeverantwoordelijk is voor een uitstootreductie van 800.000 ton CO2. Dat is de CO2-uitstoot van heel Zeeuws-Vlaanderen.

7 september 2026 was voor Yara Sluiskil een feestelijke dag: het bedrijf opende Europa’s grootste CO2-afvanginstallatie. Met deze nieuwe fabriek gaat Yara in Sluiskil CO2 afvangen om het vervolgens te laten verschepen naar Noorwegen. Daar, in Noorwegen, wordt het tijdelijk opgeslagen in tanks om vervolgens 110 km uit de kust 2,6 km diep opgeslagen te worden in poreus gesteente, in aquafers.

CCS niet het eerste idee voor verduurzaming

Bij Yara Sluiskil dachten ze niet meteen aan CCS als duurzame oplossing voor de CO2-uitstoot. Gijsbrecht Gunter, verantwoordelijk voor de Public Affairs, Strategy and Business Development binnen Yara Sluiskil licht toe: “Wij dachten voor 2018 eerst: we stappen over op groene waterstof. Yara heeft dat in Noord Noorwegen ook gedaan met een grote elektrolyser, tot begin jaren ‘90. Maar we hebben koolstof nodig, met alleen waterstof mis je de koolstof en technisch gezien bleek die groene waterstof niet bij de fabriek te passen. Als je die rechtstreeks in de bestaande ammoniakfabrieken gebruikt, leidt dat tot technische en energetische complicaties. Daarnaast was de prijs van groene waterstof voor ons gewoon te hoog. Als je alle subsidies eraf haalt, dan zit je toch zo rond de 15 euro per kg waterstof tegenover 2,5/3,5 euro grijze waterstof inclusief ETS. Dat is een enorm gat. We maken 340 kiloton, 340 miljoen kg waterstof. Dan praat je over 3,4 miljard euro per jaar wat je tekort zou komen als je rekent met een onrendabele top van 10 euro per kilo. Die kun je niet uit de markt halen, dus zal dicht gesubsidieerd moeten worden zolang er geen vraag is.

CO2 in zuivere vorm al in handen

We zijn daarna naar CCS gaan kijken. Wij dachten: Is dat niks voor ons? Wij hebben de CO2 in zuivere vorm al in handen. Bij het maken van ammoniak uit methaan en water komt CO2 als zuiver bijproduct vrij. Als je onze uitstootcijfers bekijkt, hebben we een uitstoot van 3,2 miljoen ton. 2,2 miljoen ton daarvan is zuivere CO2. 1,4 miljoen ton gebruiken wij op de site als grondstof. Denk vooral aan het maken van ureum (het maken van meststoffen) of directe verkoop van CO2. Bij die laatste kun je bijvoorbeeld denken aan frisdranken, bier, of de glastuinbouw. Er zijn tal van toepassingen waar wij de CO2 voor leveren. Als je die 1,4 miljoen ton van die 2,2 miljoen ton afhaalt, haal je 800.000 ton over. Dat is de 800.000 ton CO2 waar geen markt voor is en die we naar Noorwegen brengen. Dat er voor die 800.000 ton geen markt is, komt omdat onze CO2-productie vrij constant is door het jaar heen, terwijl de vraag per seizoen fluctueert. In de zomer is er meer vraag door bijvoorbeeld een groter gebruik door de glastuinbouw en dat men in de zomer vaker bier en frisdrank drinkt. Met die 800.000 ton CO2 moesten we iets.”

Je stopt niet zomaar even CO2 in de grond in een ander land

Gunter legt uit waarom Yara koos voor Noorwegen om de afgevangen CO2 op te slaan.

”In Nederland zat het CCS-project Porthos al vol. En het Aramis-project was echt nog ver weg: die konden geen concrete aanbiedingen doen om te leveren in 2026. Uiteindelijk kwamen we in Noorwegen uit, waar we spraken met Northern Lights. Dat bedrijf is, mede door de Noorse overheid, sterk gesubsidieerd. Meer dan 2 miljard aan subsidies krijgt het Longship project waar Northern Lights onderdeel van is. Het bestaat ongeveer voor 80% aan Noorse subsidies.

Je mag niet zomaar met CO2 gaan slepen. Het zogenaamde Londen-protocol geldt. Dat is gelukkig voor ons op Europees niveau opgelost. Jetten heeft zich daar als klimaatminister sterk voor gemaakt en ook tijdens het Staatsbezoek naar Noorwegen in 2021 is hier aandacht voor geweest. Dat moesten landen met elkaar oplossen. Daarnaast is een bilateraal verdrag gesloten tussen Nederland en Noorwegen, omdat 20 jaar na het sluiten van de bron (bij het injectiepunt) de Noorse staat verantwoordelijk wordt voor het opgeslagen CO2. Je stopt toch ‘een stukje Nederland in Noorwegen’ als je het even kort door de bocht wil zeggen.

Northern Lights verscheept

De schepen die ons afgevangen CO2 naar Noorwegen brengen, zijn van Northern Lights. Wij leveren 2 keer per week de CO2 tot aan de kade in het schip. Dat zal ook wat fluctueren in het jaar vanwege de seizoenen. Vanaf daar neemt Northern Lights het over. Zij slaan het daar op in tanks in Øygarden, ter hoogte van Bergen. Uiteindelijk gaat het in een pijp van zo’n 30 centimeter qua diameter. En dat is het dan. Ik ben er geweest. Heel bijzonder om te zien, omdat wij echt een grote fabriek op de site hebben staan en ook Northern Lights enorme schepen en losinstallaties heeft en dat je dan helemaal aan het eind zo’n kleine pijp ziet waarmee de CO2 richting de zeebodem gaat.”

CO2 in poreus gesteente

De CO2 die Yara Sluiskil naar Noorwegen laat verschepen, gaat niet zomaar in een leeg gasveld of opslagtank. Gunter vertelt dat de CO2 uiteindelijk nog een weg aflegt, 110 km van de Noorse kust.

“De CO2 wordt 110 km uit de kust op een diepte van 2,6 km opgeslagen in poreus gesteente. Dat is wel weer iets anders dan in bijvoorbeeld lege gasvelden. Ze noemen dat aquafers. Dat is een poreus gesteente waar zout water in zit. Bij een injectiepunt spuiten ze die CO2 onder hoge druk erin, waardoor de CO2 het zoute zeewater verdringt. Die CO2 zakt dan verder naar beneden en  -naar ik onlangs van een geoloog begreep- reageert het dan tot een soort calciumcarbonaat, waardoor het gesteente wordt. Dat vond ik wel bijzonder om te horen en zien.”

Niet gewacht op ‘het groene vinkje’

Gunter vertelt dat Yara Sluiskil met dit unieke CCS-project geen risico’s heeft willen vermijden.

“In 2019 zijn we in overleg met het ministerie gestart met de bilaterale verdragen. In 2021, tijdens het staatsbezoek, is een MOU ondertekend in het bijzijn van de koning met de boodschap: dit moeten we tussen Noorwegen en Nederland gaan regelen. Uiteindelijk is het na ons investeringsbeslissingsmoment in november 2023 nog op z’n pootjes terecht gekomen. Ik heb bedrijven gesproken die aangeven dat ze dan geen investeringsmoment hadden gehad, omdat ze nog dat groene vinkje moesten hebben. Het kenmerkt Yara wel om koploper te zijn en soms ook risico’s te durven nemen waar een ander bedrijf zou zeggen: ‘dat gaan we toch nog niet doen’. Toen is het snel gegaan.

Nationale CO2-heffing als basis voor business case

Voor de business case gingen we uit van de regels die toen golden. We rekenden met ETS-prijzen en de nationale CO2-heffing. Toen had je een vast CO2-prijspad waar je op kon bouwen. We hadden toen ook al wel dispensatierechten overgehouden omdat we als site de Europese benchmark zijn. Toen waren alle puzzelstukjes compleet om te zeggen: dan gaan we een investeringsbeslissing doen.

We konden geen SDE++ aanvragen, want dat was alleen voor projecten waarvan de CO2 in Nederland werd opgeslagen. Later is dat veranderd en kan wel SDE++ worden aangevraagd voor projecten die hun CO2 buiten Nederland opslaan voor CCS. Wel hebben we een voorwaardelijke subsidie gehad van 30 miljoen euro op een investering van circa 200 miljoen waarbij het leveringscontract wat eronder ligt een veelvoud is van die 200 miljoen euro over de jaren heen. Er is steun geweest, maar de voorwaarden om die 30 miljoen te kunnen benutten knellen wel, bleek achteraf. Waarschijnlijk kunnen we niet de gehele subsidie benutten, terwijl die zeker nodig is om het project rendabeler te maken.

Het heeft wel een nare bijsmaak dat de nationale CO2-heffing is weggevallen. Met het wegvallen van de nationale heffing, hadden we niet alleen de inkomsten van de dispensatierechten niet meer, dat is jammer. Maar wij hadden in de business case geen rekening gehouden met dat die nationale heffing zou stoppen. Door het stoppen van de nationale heffing vallen we terug op een Europese ETS-prijs. De ETS-prijs staat sterk onder druk, want een heleboel bedrijven willen die niet of willen die verlagen. Ons project is helaas geen bewijs dat koplopers in klimaatprojecten beloond worden.”

‘Goedkoper om de fabriek niet te gebruiken’

Na wat berekeningen erop los gelaten te hebben, geeft Gunter aan dat het soms raar kan lopen.

“Als wetgeving op den duur door zowel de Tweede als de Eerste Kamer is goedgekeurd en het is gewoon wet met een duidelijk prijspad voor de komende jaren, dan is het vervelend als dat alsnog wordt afgeschaft. Niet dat we pleiten voor behoud van de nationale heffing, want dergelijke koppen op Europees beleid schaden de concurrentiepositie, maar het was wel wet. Het is niet zo dat de markt nu meer betaalt voor groene producten, in ieder geval gaat het niet om grote volumes meststoffen die we maken met ons CCS project.

Vraagcreatie moet echt nog van de grond komen. Als je doorvraagt in de markt om wat voor volumes het gaat, dan valt dat tegen. Dan kan je niet zo’n heel groot project draaien. De lage ETS-prijzen schaden op die manier ons als koploper. Het risico is niet denkbeeldig dat het goedkoper wordt om CO2 uit te stoten en ETS-prijzen te betalen en de fabriek niet te gebruiken. Het zou toch van de zotte zijn als je een fabriek niet in bedrijf neemt, maar die CO2 wel de lucht inblaast, omdat dat goedkoper is dan een hele fabriek bouwen van 200 miljoen. Dat is voor het klimaat niet goed, maar ook niet voor het vertrouwen van ons moederbedrijf in Nederlands beleid.”

Niet juist dat Yara voor een nationale CO2-heffing is

Het klopt niet dat Yara voor een nationale CO2-heffing is, geeft Gunter aan.

“De Nationale CO2-heffing was wet en er deed zich deze Noorse kans voor. Dat wordt door sommigen nu uitgelegd als ‘Yara is nu voor een CO2-heffing’. Dat is onjuist. Yara was en ís tegen een Nationale CO2-heffing en onderschrijft ook wat een VNO en wie dan ook daarover zegt. Zo’n heffing werkt als een kop op Europees beleid en dat trekt het speelveld nog schever dan dat het al is. Los van hoge elektriciteitsprijzen, netwerkkosten, additionele stikstofreductie, de voorwaarden voor indirecte kostencompensatie en de energiebesparingsplicht waarvan men de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar wil zetten. Wij moeten dit allemaal uitleggen aan Noorwegen en hun enthousiasmeren in Nederland te blijven investeren.

CCS blijft een tijdelijke oplossing

Hoewel Gunter en zijn collega’s bij Yara Sluiskil erg trots zijn op dit eerste operationele CCS-project in Nederland, is Gunter wel van mening dat CCS toch ‘maar’ een tijdelijke oplossing is.

“CCS is een tijdelijke oplossing. Daarnaast blijf je fossiel. Dat zijn de 2 belangrijke punten waar we naar kijken als het gaat om verduurzaming van ons bedrijf op de lange termijn. Aan de andere kant: met deze oplossing kunnen we de komende jaren wel 12 miljoen ton CO2 niet de lucht in laten gaan. Om nóg duurzamer te kunnen produceren, kijken we onder andere ook naar biogas. In Europa zet men daar volop in. Er zijn heel veel biomassa stromen in Europa aanwezig waar we in Nederland minder zicht op hebben. Het is belangrijk dat je weet dat het biogas gecertificeerd is. Je moet die ketens goed in beeld hebben. Biogas is wel een route waar we in geloven. Het mooie is dat wij het biogas als grondstof benutten in plaats van brandstof en ook de koolstof kunnen valoriseren. We gebruiken al biogas op kleine schaal, zonder subsidies.

Gouden combinatie

Als je CCS en biogas aan elkaar gaat koppelen, wordt het nog interessanter. Dan kan je tot negatieve emissies komen. Zeker ook als je de CO2 van biogas zou opslaan middels CCS. Daarnaast kunnen we de bestaande ammoniakfabrieken ook inzetten om flexibel waterstof te leveren. We hebben nu low carbon waterstof met die CCS-fabriek, of groene biobased waterstof uit biogas die we allemaal zelf gebruiken. Op momenten van duisterluwte, als je geen wind en geen zon hebt, en het waterstofnet fluctueert, dan is dat voor ons economisch interessant om het waterstofnet te kunnen balanceren. Je omzeilt daarmee zowel opslagverliezen in vergelijking met ondergrondse waterstofopslag, alsook energieverliezen in vergelijking met het kraken van ammoniak. Dan krijg je in 1 keer een systeemspelersfunctie binnen het geheel om de waterstofeconomie mee te helpen aanjagen. Daarom willen wij ook een aansluiting op het waterstofnetwerk. Niet zozeer om af te nemen, maar om flexibel te kunnen leveren. Kortom, we zien volop kansen om verdere stappen te maken en onze productielocatie voor de komende decennia een sleutelrol te laten spelen. Daarvoor is duidelijkheid, steun en stabiel beleid nodig. Niet in de laatste plaats borgen we hiermee ook strategische autonomie en weerbaarheid in Europa.”

Dit interview is eerder geplubliceerd op de website van NPVI

Bron: Nationaal Platform Verduurzaming Industrie (NPVI)