Nederland heeft een grote kloof te overbruggen om in 2040 in de buurt te komen van de Europese ambitie van 90 procent minder Europese broeikasgasemissie dan in 1990. Met het huidige uitgewerkte beleid per 1 januari (‘basispad’) koersen we af op 57 tot 68 procent emissiereductie in 2040, en met andere doorrekenbare plannen (‘aanvullend beleid’) erbij 61 tot 72 procent. Zo ligt Nederland niet op koers richting het wettelijke doel van klimaatneutraliteit in 2050. De geraamde emissiedaling in 2030 stagneert al drie jaar op rij. Politieke impasses hebben het tempo uit de energietransitie gehaald. Daarmee blijft het heel erg onwaarschijnlijk (minder dan 5 procent) dat Nederland het klimaatdoel voor 2030 haalt, blijkt uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2026.
Nederland heeft de broeikasgasuitstoot in de 35 jaar tussen 1990 en 2025 met ongeveer een derde verminderd. In de 24 jaar tot 2050 zal de resterende tweederde van de emissiedaling gerealiseerd moeten worden. Dat is een opgave van formaat. Om de energietransitie op korte termijn op koers te krijgen is robuust extra beleid op Europees én nationaal niveau nodig. Het is belangrijk dat dit beleid niet alleen op 2030 gericht is, maar ook leidt tot structurele uitstootreductie op de langere termijn.
Afhankelijkheid fossiele import blijft groot richting 2040
Vorig jaar importeerde Nederland 77 procent van zijn energieverbruik, net iets minder dan de historisch hoge energieafhankelijkheid van 79 procent in 2023. Voordat de gaswinning in Groningen sinds 2015 werd afgebouwd, zat Nederland nog op 70 procent. Door meer gebruik van hernieuwbare energie daalt de energieafhankelijkheid weer naar 65 tot 70 procent in 2030 en 49 tot 63 procent in 2040. Daarmee wordt Nederland minder gevoelig voor de schokken op de wereldmarkten die de afgelopen jaren regelmatig zijn voorgekomen, maar de afhankelijkheid van import van fossiele energie blijft nog altijd groot.
Coalitieakkoord stimuleert vooral wind op zee en afvang en opslag van CO2
In het basispad hebben windparken op zee in 2040 samen 21 GW aan vermogen – dat was tot enkele jaren geleden nog het doel voor 2030. Daarmee komt het aandeel van hernieuwbare energie in de totale energievoorziening in 2040 op 42 tot 55 procent. Na de peildatum voor het basispad heeft het kabinet tweerichtingscontracten met een gegarandeerde prijs (beter bekend als Contracts for Difference) aangekondigd en de SDE++-regeling verlengd. Beide beleidsmaatregelen hebben in 2030 nog weinig effect, maar zetten daarna flinke zoden aan de dijk. De SDE++-regeling stimuleert vooral afvang en opslag van CO2. Het vermogen van wind op zee groeit door de nieuwe contracten in de raming met aanvullend beleid naar 30 tot 36 GW, waarmee het aandeel hernieuwbare energie op 52 tot 67 procent in 2040 komt. In 2030 blijft het aandeel hernieuwbare energie daarmee nog steken op 32 tot 38 procent, te weinig om het doel van 39 procent in Nederland te halen.
Vergelijking met KEV 2025: bijmenging bij diesels heeft effect in 2030
In het basispad is de emissiereductie 46 tot 53 procent in 2030 ten opzichte van 1990. Dat is vrijwel identiek aan de raming van vorig jaar. Dit geldt ook als aanvullend beleid wordt meegeteld: 47 tot 54 procent. In de mobiliteit zorgt vooral extra bijmenging van biobrandstoffen door de zogenoemde brandstoftransitieverplichting voor minder emissie. Bij dieselmotoren zal tot 40 procent worden bijgemengd in 2030. Bij elektriciteit liggen de emissies juist iets hoger liggen door meer inzet van gascentrales. Het stikstofpakket van 26 juni kwam te laat om in dit rapport mee te nemen.
Verdere vertraging bij aanleg van infrastructuur serieus risico voor energietransitie
De vraag naar transportcapaciteit op het elektriciteitsnet neemt sneller toe dan netbeheerders aankunnen. Energie-infrastructuur is cruciaal om de transitie vorm te geven. Voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet, verdere uitrol van collectieve warmtenetten, infrastructuur voor afvang en opslag van CO2, en de aanleg van een waterstofnetwerk zijn nodig voor de energietransitie. Maar de aanleg en uitbreiding van deze infrastructuur heeft op veel punten vertraging opgelopen door een tekort aan technisch personeel, lange vergunningstrajecten en schaarste aan materialen en ruimte.
Flinke verschillen tussen sectoren
In de mobiliteit blijven de emissies ook na 2030 flink dalen door de uitfasering van de verbrandingsmotor. De huidige CO2-prijs van het Europese handelssysteem ETS is te laag om investeringen in volledige verduurzaming van de industrie rendabel te maken. Daarvoor is extra beleid nodig, zoals aanvullende Europese en nationale normering en subsidies. In de landbouw zijn de broeikasgasemissies de afgelopen 20 jaar amper gedaald. De veeteelt is een van de weinige onderdelen van de economie waarvoor nauwelijks specifiek klimaatbeleid is. De in het Coalitieakkoord aangekondigde regels voor methaanremmers zijn op dat vlak een eerste stap.
De KEV als monitorings- en verantwoordingsinstrument
De jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning is een belangrijk verantwoordingsinstrument van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid, op basis van de Klimaatwet. Het rapport maakt inzichtelijk wat de te verwachten effecten van beleidsmaatregelen zijn. De KEV wordt opgesteld door het PBL in nauwe samenwerking met TNO, CBS en RIVM, en met bijdragen van RVO en WUR.
Bron: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

