Waarom mondiale fragmentatie de transitie versnelt in plaats van vertraagt

Meer dan tien jaar geleden verdiepte ik me voor het eerst in de circulaire economie. Wat me toen opviel: de wetenschappelijke literatuur kwam slechts van twee plekken – China en Noordwest-Europa. Achteraf was dat geen toeval maar een vroeg signaal. China zag circulariteit en hernieuwbare energie niet primair als groen businessmodel, maar als strategische machtsfactor.

Nu de wereld, onder aanvoering van Trump, terugkeert naar ouderwetse invloedssferen, wordt pijnlijk duidelijk wie zich het best heeft voorbereid. China heeft de afgelopen decennia systematisch toegang tot kritische mineralen veiliggesteld, van lithium in Zuid-Amerika tot kobalt in Congo. Tegelijkertijd domineert het land de productie van zonnepanelen, batterijen, elektrische auto’s en windturbines. Europa’s afhankelijkheid van Russisch gas bleek een strategische misrekening, dat inruilen voor Amerikaans gas wellicht net zo. De groeiende afhankelijkheid van Chinese groene technologie dreigt de volgende te worden.

Geopolitieke macht en fragmentatie draait vrijwel altijd om grondstoffen en energie. Dat was zo bij de handel in specerijen, goud, zilver en slavernij, kolonialisme is er groot mee geworden. China, Rusland en de Verenigde Staten zijn nu met een volgende fase van dit historische spel bezig. Terwijl wij dachten mondiale problemen met internationale afspraken op te lossen, is de naoorlogse consensus van een op regels gebaseerd systeem stilletjes verdwenen. Toegang tot schaarse hulpbronnen is opnieuw een kwestie van macht in plaats van markt.

Twee vragen

Zoals het er nu voorstaat, zijn er twee grote verliezers van deze herschikking: Europa en toekomstige generaties. Europa beschikt nauwelijks over fossiele reserves of kritieke mineralen en heeft de productie van sleuteltechnologieën grotendeels uitbesteed aan geopolitieke rivalen. Toekomstige generaties krijgen, bij voortzetting van dit pad, te maken met meer klimaatrisico’s, minder natuur en minder welvaart, juist omdat internationale samenwerking onder druk staat. Dat roept twee vragen op: wat kan Europa doen, en hoe beschermen we de toekomst?

Omarm de schaarste

Ten eerste: wat te doen als verliezer? Het antwoord begint met het omarmen van onze schaarste. Japan werd na de oliecrises kampioen energie-efficiëntie juist omdat het niets had. Europa’s grondstoffenarmoede is geen handicap maar dwang tot creativiteit. Bovendien wordt consuminderen in deze context een geopolitiek wapen. Elke ton minder grondstofvraag en plastic troep is een ton minder afhankelijkheid. Sufficiëntie is geen moreel appèl meer maar strategische noodzaak. En ten slotte moeten we stoppen met de taal van concurrentieverlies. De roep om Europese regelgeving te versoberen accepteert spelregels die we niet kunnen winnen. We kunnen niet concurreren op goedkope grondstoffen en lage standaarden, dus waarom zouden we het proberen? Laten we ons eigen spel spelen!

Gedeelde belangen

Ten tweede: hoe lossen we mondiale problemen op zonder mondiale consensus? Hier past bescheidenheid. We zullen moeten accepteren dat sommige problemen niet meer worden ‘opgelost’ met internationale afspraken, alleen genavigeerd. De vraag verschuift van ‘hoe krijgen we iedereen mee’ naar ‘hoe worden wij weerbaar ongeacht wat anderen doen’. Dat klinkt defaitistisch maar is het niet. Als Europa daadwerkelijk circulariteit en energie-onafhankelijkheid realiseert, wordt dat vanzelf aantrekkelijk voor anderen. Niet via verdragen maar via demonstratie-effect. China deed dit met zonnepanelen: niet wachten op consensus, gewoon bouwen. En we kunnen bondgenoten zoeken op basis van gedeelde kwetsbaarheid in plaats van gedeelde ideologie. Niet ‘wie deelt onze waarden’ maar ‘wie heeft hetzelfde probleem’: grondstofafhankelijke landen, importeurs, eilandstaten, jongeren.

Juist spel

Wat betekent dit concreet? Méér ambitieuze regelgeving in Europa op hoofdlijnen, minder details maar niet per se minder stringent. Dus méér investeringen in circulaire technologie, niet bezuinigen. Méér sturing op gedrag en consumptie, niet overlaten aan de markt. De volgende keer dat een politicus pleit voor versoepeling van klimaatregels om ‘concurrerend te blijven’, bedenk dan: concurrerend met wie? Met landen die wél grondstoffen hebben? Die strijd is al verloren. De enige wedstrijd die we kunnen winnen is die naar onafhankelijkheid, en toevallig ook de enige die toekomstige generaties iets oplevert. En die begint met de erkenning dat duurzaamheid geen luxe is die we ons in goede tijden permitteren, maar de kern van onze geopolitieke weerbaarheid.

Hans Stegeman, Chief Economist | Group Director Impact & Economics Triodos Bank

Dit artikel is na redactie als opinie-artikel verschenen in het FD