Hoe overleeft de chemische industrie de huidige crisis en hoe voorkomt ze een nieuwe. Ronald van Klaveren (LyondellBasell en VNCI) bespreekt tijdens NPVI-Connect! (23 november, Spant Bussum) met overheid en industrie hoe verduurzaming, marktbescherming en strategische autonomie hand in hand gaan.

De geopolitieke storm die momenteel over het westelijk halfrond raast, vergt veel inspanning van ondernemend Nederland. Militaire geschillen en handelsoorlogen drijven de energie- en grondstofprijzen tot ongekende hoogten terwijl de afzetmarkt krimpt. In die omstandigheden speelt industriële verduurzaming een dramatische dubbelrol. In het licht van de steeds meer gewenste strategische autonomie biedt het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en circulaire brand- en grondstoffen meer zekerheid voor de Europese industrie. Tegelijkertijd ontbreekt voor veel verduurzamingsprojecten een sluitende businesscase: de investeringen en hogere operationele kosten kunnen onvoldoende worden terugverdiend.

Chemische industrie in overlevingsstand

Ronald van Klaveren voelt die tweestrijd voor zowel zijn “eigen” bedrijf LyondellBasell (LYB), waar hij voor Europa vice president chemie is. Als ook voor de gehele Nederlandse chemische sector, die hij vertegenwoordigt als voorzitter van de Vereniging Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). Van Klaveren: “Momenteel is de chemische industrie vooral aan het overleven. Zelfs binnen de grenzen van Europa zien we grote verschillen in het ondernemingsklimaat. Dat zie je met name terug in de energieprijzen die net over de grens al een stuk lager liggen dan bij ons.

Het is dan ook de vraag of onze overheid in deze omstandigheden nog wel zo rigide moet vasthouden aan de verduurzamingsnormen op de korte termijn. Natuurlijk willen we als industrie nog steeds die stip op de horizon, CO2-neutrale productie in 2050, bereiken. Maar het reductietraject moet aansluiten op de beschikbaarheid van betaalbare energie, infrastructuur en een markt voor emissiearme producten. Anders nemen de kosten toe zonder dat bedrijven de investeringen kunnen doen die voor verduurzaming nodig zijn.”

Onderlinge afhankelijkheid maakt ketens kwetsbaar

Dat de chemische industrie een belangrijke strategische waarde heeft voor Nederland, staat volgens Van Klaveren vast. “We bouwden de afgelopen decennia complexe waardeketens die zeer goed op elkaar zijn afgestemd. Dankzij die onderlinge samenhang, kunnen bedrijven energie-efficiënt en concurrerend produceren. Maar die onderlinge afhankelijkheid maakt de ketens ook kwetsbaar. Als er een schakel uitvalt, bedreigt dit de hele keten. Veel van de producten die de chemie produceert, worden wereldwijd verhandeld. Momenteel bestaat er voor veel van deze producten een wereldwijde overcapaciteit.

De dreiging komt met name vanuit het Verre en Midden-Oosten. Van Klaveren: “Of het nu komt door de toegang tot goedkope brand- en grondstoffen, staatssteun of het niet doorberekenen van milieuschade: de concurrentie biedt momenteel gunstigere prijzen dan Europese bedrijven. ETS blijft een belangrijk instrument om uitstoot te verminderen. Maar een CO₂-prijs werkt pas als die samengaat met effectieve bescherming tegen koolstoflekkage en voldoende vraag naar emissiearme producten.

Wie garandeert dat we kunnen blijven beschikken over de kritische chemische producten die we dagelijks gebruiken?

Als consumenten massaal voor deze goedkopere producten kiezen, vallen hier bedrijven om. En dat kan zich in de toekomst tegen ons keren. Want wie garandeert dat we kunnen blijven beschikken over de kritische chemische producten die we dagelijks gebruiken? En dus staat Europa voor de belangrijke keuze om een gelijk speelveld creëren en zijn industrie te beschermen. Om een eerlijke markt te krijgen, moet je de milieuschade meerekenen in de kostprijs.”

Zet een restrictie op het aandeel fossiele koolstof in eindproducten

Hierbij zal de EU volgens Van Klaveren ook zijn eigen, duurzame producten moeten stimuleren. Een bijmengverplichting, zoals die geldt voor de energiemarkt, zou voor de chemie echter niet 1-op-1 werken. “Een generieke bijmengverplichting is niet voor elke chemische toepassing geschikt. Alternatieve grondstoffen moeten passen bij het productieproces en de kwaliteitseisen van het eindproduct. Daarom zijn gerichte eisen per toepassing nodig, met ruimte voor verschillende technische oplossingen.

Ik denk ook dat we veel meer naar de eindproducten moeten kijken en daar een restrictie op moeten zetten hoeveel fossiele koolstof daar nog mag inzitten. Dan kan de markt wel zelf uitzoeken hoe ze dat invult. Daarbij moeten we wel onderscheid maken tussen vervanging van fossiel en het verminderen van productiegerelateerde uitstoot. Voor beiden zijn passende prikkels nodig.”

De Europese Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) is volgens Van Klaveren een goed voorbeeld van een beleidsingreep die wel werkt voor een positief duurzaam investeringsklimaat. “Doordat de EU producenten van verpakkingsmaterialen dwingt tot het gebruik van gerecyclede grondstoffen, wordt LYB in haar investeringsbeslissing gesteund voor een katalytische chemische recycling fabriek in Duitsland. Verpakkingsplastics zijn weer wel eenvoudig in te mengen in bestaande stromen. Je zult dus heel goed per product moeten overwegen wat de meest logische route is. Soms is dat biobased, soms circulair, maar als grondstof voor materialen kan fossiel ook nog steeds een rol spelen.”

Industrieel ecosysteem biedt genoeg ruimte voor nieuwkomers
Dat er nieuwe spelers nodig zijn in de duurzame chemische waardeketen is volgens Van Klaveren oud nieuws. “Het lijkt nu of we de hele keten moeten omgooien, maar we bouwen al 60 jaar aan het chemische ecosysteem in de regionale clusters. Het is een levend organisme waar oude partijen vertrokken en nieuwe spelers opkwamen. Duurzame bedrijven moeten hierin de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, maar als ze waarde toevoegen, worden ze vanzelf opgenomen in de ketens. De rol van de overheid is vooral om de spelregels zo aan te passen dat het organisme in zijn geheel verduurzaamt.

Samen werken aan weerbare samenleving
We hebben helder en stabiel beleid nodig, én de voorwaarden die investeringen mogelijk maken: concurrerende energie, infrastructuur, effectieve bescherming tegen koolstoflekkage en vraag naar emissiearme producten. Anders wordt het heel moeilijk om investeringen te doen in duurzame kapitaalmiddelen. Vaak zit er 5 tot 10 jaar tussen een investeringsbeslissing en de oplevering van een fabriek. Politieke koerswijzigingen kunnen de businesscase voor dit soort projecten maken of breken. De politiek en dus de maatschappij moet zich ervan bewust zijn dat de Nederlandse industrie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de strategische autonomie. Dus laten we ervoor zorgen dat de industrie eerst overeind blijft en dan samen de koers bepalen naar een weerbare samenleving.”

Bron: Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI)