Je hoort het overal: bedrijven en overheden zijn te veel gericht op het nu en te weinig op later. Klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en strategische afhankelijkheid worden dan problemen van de ‘lange termijn’ genoemd. Maar die voorstelling is achterhaald. Zoutfabrikant Nobian moet zijn schepen inmiddels een grote omweg laten varen vanwege de lage waterstand in de rivieren. De toekomst is begonnen.
Dat betekent niet dat de lange termijn niet meer bestaat. Een groot deel van de klimaatschade moet nog komen. Maar het conflict kan niet langer geloofwaardig worden voorgesteld als een keuze tussen kosten nu of later. Steeds duidelijker wordt waar het werkelijk om gaat: wie ontvangt de opbrengsten en wie krijgt de rekening?
Het echte probleem: maatschappelijke kosten
Bedrijven kunnen namelijk prima met lange termijnen omgaan. Shell publiceert sinds de jaren zeventig zijn scenario’s, wereldwijd erkend als voorbeeld van strategische toekomstverkenningen, en baseert daar investeringsbeslissingen voor decennia op. Het idee dat bedrijven niet verder kunnen kijken dan het volgende kwartaal klopt dus niet. Het probleem is niet hun vermogen om vooruit te kijken, maar de prikkel om maatschappelijke kosten in die blik mee te nemen.
Swiss Re berekende de wereldwijde schade door natuurrampen in 2024 op 318 miljard dollar, waarvan maar 137 miljard verzekerd was. Het resterende gat van 181 miljard bleef liggen bij huishoudens, bedrijven en overheden die niet aan de onderliggende activiteiten verdienen, terwijl de winst geconcentreerd blijft bij wie het risico veroorzaakt.
EY’s New Economy Unit noemt dit patroon in een nieuw rapport “extractivisme“: winst privatiseren, kosten socialiseren. Hun cijfers laten zien dat dividenden aan aandeelhouders in de G7 sinds 2000 drie keer zo hard zijn gegroeid als lonen, en dat de kosten van biodiversiteitsverlies in dezelfde periode met 60 procent stegen. Een structureel patroon, al decennialang.
We deden lang alsof dit vooral een tijdshorizonprobleem was, samengevat in de discontovoet. Kies een lage discontovoet en toekomstige schade telt zwaar mee; kies een hoge en ze verdwijnt grotendeels uit de berekening. Die keuze blijft relevant voor wat nog komen gaat. Maar ze kan niet langer worden gebruikt om het hele probleem naar later te schuiven. Een groeiend deel van de rekening ligt er al.
Marktmacht lost afwenteling niet op
De economen Oliver Hart en Luigi Zingales stelden in 2017 dat bedrijven niet de marktwaarde, maar het bredere welzijn van hun aandeelhouders zouden moeten maximaliseren. Aandeelhouders zijn immers ook burgers en kunnen willen dat vervuiling wordt beperkt, zelfs als dat rendement kost. Grote bedrijven hebben bovendien voldoende marktmacht om maatschappelijke kosten mee te wegen zonder onmiddellijk te worden weggeconcurreerd.
Dat lijkt goed nieuws. Nu klimaat- en natuurschade vandaag de winstgevendheid aantasten, zou ingrijpen zelfs vanuit eigenbelang rationeel moeten worden. Maar wat voor één bedrijf rationeel is, hoeft dat in een concurrerende markt niet te zijn. Het bedrijf dat investeert om maatschappelijke schade te voorkomen, maakt kosten die de concurrent kan vermijden. Zolang niemand afdwingt dat iedereen meebetaalt, blijft afwachten aantrekkelijk. Exact hetzelfde patroon zag je in de landbouw: intensivering werd jarenlang beloond terwijl bodem- en waterschade nauwelijks in de prijs zat, en nu betaalt de belastingbetaler het herstel via stikstof-uitkoopregelingen.
Dat kan bij individuele bedrijven verschil maken, maar als collectieve oplossing schiet het tekort. Het ontbreekt bedrijven niet aan visie, zoals Shell al vijftig jaar bewijst, maar aan een reden om die te gebruiken voor iets anders dan het eigen belang. Vrijwillige verantwoordelijkheid blijft bovendien kwetsbaar voor concurrenten die niet meedoen, en dezelfde marktmacht waarmee een bedrijf kosten zou kunnen internaliseren, kan net zo goed worden ingezet om aansprakelijkheid af te wenden en regelgeving te verzwakken.
Daarom zijn regels nodig die iedereen tegelijk binden. Een uniforme CO2-prijs of producentenaansprakelijkheid maken afwenteling duurder, zodat bedrijven niet langer kunnen concurreren door kosten buiten hun boekhouding te houden.
De Europese zorgplichtrichtlijn CSDDD was zo’n stap. Na intensieve lobby is zij echter beperkt tot bedrijven met meer dan 5.000 werknemers en 1,5 miljard euro omzet, en verdween ook de verplichting om een klimaattransitieplan uit te voeren. De poging om freeriden te beperken werd zelf het doelwit van wie voordeel heeft bij vrijwilligheid.
Wat wij kortetermijndenken noemen, is daarom vaak iets anders: de mogelijkheid om opbrengsten vandaag te incasseren en de rekening bij een ander neer te leggen. Er is geen later meer om dat probleem naartoe te schuiven. Er is alleen de vraag wie vandaag betaalt, en of dat de vervuiler is of weer de belastingbetaler.
Hans Stegeman, Chief Economist Triodos Bank
Dit artikel is na redactie eerder verschenen als opinie-artikel in het FD

