Wat hebben duurzame start-ups en scale-ups nodig om door te groeien? Marc den Hartog (ChainCraft) bespreekt tijdens NPVI-Connect! met overheid en industrie hoe prijsgaranties en betere samenwerking tussen toezichthouders en financiers duurzame innovatie kunnen versnellen.
Als er een schoolvoorbeeld is van groene bedrijven die groot worden, dan is ChainCraft een goede kandidaat. Het bedrijf zet bacteriën in om vetzuren te produceren uit organische reststromen. De scale-up startte ooit in het laboratorium van de Universiteit Wageningen. Nu doet het bedrijfgrootschalige proeven in het Westelijk Havengebied van Amsterdam en staat aan de vooravond van een volwassen installatie bij aardappelzetmeelfabrikant Avebe in Ter Apelkanaal.
Voordat CEO Marc den Hartog ingaat op de uitdagingen van dit soort nieuwe groene schakels in de chemieketen, eerst een korte uitleg over het proces van ChainCraft. Den Hartog: “Kortgezegd verlengen we de ketens van voedingsmiddelenbedrijven door het water te verwerken dat overblijft na de bewerking van voedingsmiddelen zoals aardappels, uien en andere landbouwproducten.
Die reststromen worden eerst gehydrolyseerd, zodat de lange koolstofketens afbreken. Een mix van anaerobe bacteriën zet de korte ketens vervolgens om in diverse midden-keten-vetzuren zoals boterzuur (C4), hexaanzuur (C6) tot caprylzuur (C8). Producten die normaal gesproken uit fossiele olie of palmolie worden gewonnen. Na de enzymatische omzetting is het een kwestie van fractioneren van de verschillende vetzuren. Al verkoopt ChainCraft ook mengsels van vetzuren.”
Van restproduct naar waardevolle grondstof
Op het bureau van Den Hartog ligt een rij met flesjes met daarin organische restmaterialen en diverse chemische hulpstoffen zoals oppervlakte-actieve stoffen en esters (alcoholverbindingen) die, in dit geval, naar ananas ruiken. Met de ketenverlenging kan het bedrijf 4 productgroepen bedienen: technische toepassingen zoals smeermiddelen, koelvloeistoffen voor datacenters en oplosmiddelen. Maar ook voeding, smaak- en geurstoffen, diervoeding en agrarische hulpstoffen.
Den Hartog: “We hebben inmiddels ervaring met diverse reststromen van de agrarische industrie. Met als groot voordeel dat ze niet als afval zijn aangemerkt. Dat maakt het een stuk gemakkelijker om onze producten weer aan de voedingsmiddelenindustrie aan te bieden. Normaal gesproken zou dit restwater als vloeiwater worden aangeboden aan de landbouw. Er zitten namelijk nog waardevolle voedingsstoffen in zoals kalium, ammoniumsulfaat en struviet. Maar dus ook organische stromen waar tot nog toe niks mee wordt gedaan. Ons proces concentreert ook die voedingsstoffen, waardoor de boer zijn landbouwgrond veel gerichter kan verrijken.”
60 tot 80% lagere CO2-voetafdruk
ChainCraft koos ervoor om reststromen om te zetten in vetzuren. Deze route vele voordelen. Den Hartog: “Wij bieden agrifood partijen de mogelijkheid een reststroom op te waarderen en daarmee ook hun CO2-uitstoot terug te brengen. We nemen de reststroom namelijk af zonder dat ze die verder hoeven te concentreren. Bovendien zijn de producten voor 99% gelijk aan hun fossiele of biologische tegenhangers en daarom een zogenaamde drop-in-chemical. Dat wil zeggen dat ze hun fossiele tegenhangers 1-op-1 kunnen vervangen. De CO2-voetafdruk van de chemicaliën ligt daardoor tussen de 60 tot 80% lager dan de fossiele alternatieven.” En wat Den Hartog nog het meeste wil benadrukken: “We bieden dezelfde prijs als de fossiele producenten.”
Prijsgaranties versterken markt duurzame chemicaliën
Toch zit in die prijsvorming nog wel een uitdaging. “We hebben het hier over een type chemicaliën dat wereldwijd wordt aangeboden en waarvan de prijs zeer volatiel is”, vervolgt Den Hartog. Vandaag kunnen we nog concurreren, maar dat kan morgen anders zijn. Voor ons en onze afnemers bieden langetermijncontracten een grote mate van zekerheid, maar onze afnemers schieten zichzelf in de voet als de minder duurzame alternatieven morgen ineens goedkoper worden. We zullen als maatschappij, en dus als politiek bestuur, moeten afspreken wat voor zekerheden we die afnemers kunnen geven. De overheid geeft garanties voor windparken als de energieprijzen onder een bepaald niveau komen via een contract for difference. Door deze prijsgarantie zijn investeerders in windparken er zeker van dat ze hun investering terugverdienen. Waarom zou je dat niet voor materialen kunnen toepassen?”
Die bescherming geldt natuurlijk ook voor de Europese grenzen. Den Hartog: “Er zijn al productgroepen, zoals staal, meststoffen en cement, aangewezen voor een importbelasting via het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Een manier om te voorkomen dat goedkopere, milieubelastende producten van buiten Europa de duurzame Europese varianten wegdrukken. Als ook chemicaliën onder dit mechanisme zouden vallen, beschermen we ook de duurzame Europese chemie.”
Samen ondernemender worden om toekomstige welvaart veilig te stellen
Als Den Hartog zijn wensenlijst op tafel legt, kan ook het ondernemersklimaat nog wel wat verbeteren. “We zijn er trots op dat we straks een fabriek koppelen aan de productieketen van Avebe. We zullen daar jaarlijks zo”n 20.000 ton vetzuur kunnen produceren. De afnemers, grote chemische bedrijven, kunnen bijna niet wachten op de eerste producten.
We willen in de toekomst echter zeker 3 fabrieken bouwen bij andere producenten. Ons intellectueel eigendom is een platformtechnologie die we kunnen aanpassen aan de input, met garantie van de gewenste output. Maar in beginsel passen we overal dezelfde soort technieken en biologie toe. Voor het zeker stellen van financiering van zo’n eerste fabriek is het zeer tijdrovend dat we steeds opnieuw de zorgvuldigheidsonderzoeken (due diligence, red.) moeten laten uitvoeren. Zowel de financiers, investeerders als overheden willen zekerheid hebben over onze processen en producten, waardoor het lang duurt voordat we financiering en de juiste vergunning krijgen. Het zou mooi zijn als bij innovatieve first-of-a-kind-projecten dit soort onderzoeken centraal door betrokken partijen worden gedeeld.”
Den Hartog Vervolgt: “De huidige geopolitieke omstandigheden laten weer eens zien hoe kwetsbaar onze energie- en grondstoffenvoorziening is. Om het tij te keren, zouden zowel de financiers als de toezichthouders wellicht anders moeten omgaan met partijen die de voorzieningszekerheid op een duurzame manier kunnen verbeteren. Beide partijen zijn van oudsher risico avers, wat de doorlooptijd van projecten onnodig lang maakt. De tijd die we kwijt zijn aan het wachten op een milieuvergunning, vertraagt de start van de bouw. Daardoor kunnen we onze afnemers geen zekerheid bieden over beschikbaarheid van hun producten. We zijn heel blij met de financiering die we hebben, inclusief steun vanuit de rijksoverheid en de regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Maar ook die partijen vragen dezelfde data en garanties. Kortom: we moeten echt samen ondernemender worden om toekomstige welvaart veilig te stellen. En dat houdt ook in risico”s eerlijker verdelen. Hopelijk bouwen we daarmee een stabiele markt op die waarde toevoegt voor economie én ecologie.”
Dit interview is eerder gepubliceerd op de website van NPVI
Bron: NPVI
