De afgelopen jaren is duurzaamheid een vanzelfsprekend onderdeel geworden van infrastructuurprojecten. Aanbestedingen stellen strenge eisen aan emissieloos werken, elektrisch materieel en CO₂-reductie tijdens de uitvoering. Dat is een goede zaak. Maar wie de specificaties doorneemt, ziet ook een opvallend patroon: duurzaamheidscriteria voor materialen focussen vaak op productie-impact en recycled content, terwijl het gedrag van materialen tijdens en na gebruik – zoals microplastic-uitstoot of overbodige levensduur bij tijdelijke toepassingen – buiten beeld blijft. Juist daar liggen kansen die nu onbenut blijven.
De uitvoering staat centraal, de materialen deels
In veel projecten wordt uitgebreid gespecificeerd hoe de bouwplaats moet worden ingericht. Welk materieel mag worden ingezet, hoe logistiek moet worden georganiseerd, welke emissiereductie moet worden gehaald. Ook materiaalkeuzes krijgen aandacht: CO₂-voetafdruk bij productie, percentage gerecycled, herbruikbaarheid na afloop.
Die aandacht is terecht. Maar er is een blinde vlek. De vraag of een materiaal past bij de daadwerkelijke functieduur van een constructie, of welke milieueffecten optreden tijdens en na gebruik, komt minder vaak aan bod. Daarmee missen we kansen om duurzaamheid breder te maken dan alleen productie en circulair denken.
Kosten binnen en buiten de projectscope
Een veelgehoord argument voor gangbare materialen is dat alternatieven duurder zijn. Dat klopt vaak, als je kijkt naar aanschaf en verwerking binnen de projectduur. Maar die vergelijking sluit externe effecten vaak buiten.
Neem microplastics. Synthetische materialen in de GWW-sector kunnen bijdragen aan de uitstoot van microplastics in bodem en water. Die deeltjes breken niet af en vragen op termijn om aanvullende maatregelen in waterzuivering en bodembeheer. Die kosten vallen vaak buiten de projectscope en worden niet structureel meegenomen in de materiaalafweging.
Duurzaamheid wordt dan een kwestie van verschuiven in plaats van verminderen.
Het vraagstuk van levensduur
Interessant wordt het als je kijkt naar de verhouding tussen ontworpen levensduur en daadwerkelijke functieduur. In veel projecten worden materialen toegepast die zijn ontworpen voor permanente constructies, terwijl de toepassing zelf tijdelijk is.
Denk aan bouwwegen, werkplatforms of tijdelijke waterbouwkundige voorzieningen. Deze constructies zijn per definitie bedoeld om na gebruik weer te verdwijnen. Toch worden daar standaard materialen toegepast waarvan de technische eigenschappen zijn afgestemd op een levensduur van tientallen jaren.
Dat roept de vraag op of er niet beter kan worden afgestemd tussen functieduur en materiaaleigenschappen. Materialen die hun functie vervullen tijdens de gebruiksperiode en daarna op natuurlijke wijze afbreken, verminderen reststromen en beperken milieueffecten op de lange termijn.
Een voorbeeld uit de praktijk
Bij Zwartz werken we dagelijks met textielmaterialen in de GWW-sector. Geotextielen zijn een goed voorbeeld van hoe materiaalkeuzes in de praktijk tot stand komen.
Synthetische geotextielen zijn in veel toepassingen de bewezen standaard. Terecht, want ze leveren bewezen prestaties, zijn kostenefficiënt en in veel technisch veeleisende situaties de meest beproefde oplossing. Maar er zijn ook toepassingen waarin natuurlijke alternatieven technisch even goed of zelfs beter passen, vooral bij tijdelijke constructies.
Dat is niet nieuw. Bij de aanleg van de Afsluitdijk speelden natuurlijke vezels een functionele rol in de constructie. Niet uit idealisme, maar omdat ze technisch werkten. Inmiddels zijn ze grotendeels uit het reguliere ontwerpproces verdwenen, terwijl de technische mogelijkheden juist zijn verbeterd door nieuwe productieprocessen en nabewerking.
Bij tijdelijke toepassingen kunnen natuurlijke materialen hun werk doen en daarna afbreken zonder reststroom achter te laten. Een bouwweg die functioneert tijdens de uitvoeringsfase. Erosiebestrijding waarbij het textiel zijn werk doet tot de vegetatie het overneemt. Die mogelijkheden worden zelden onderzocht, omdat de vraag in het ontwerpproces niet wordt gesteld.
Wat er nodig is
Een bredere definitie van duurzaamheid vraagt niet per se om nieuwe regelgeving. Het begint bij het stellen van andere vragen in de ontwerpfase en bij aanbestedingen. Niet automatisch uitgaan van de bestaande standaard, maar expliciet onderzoeken welke materialen passend zijn bij functie, duur en omgeving van een project.
Dat hoeft geen radicale koerswijziging te zijn. Het vraagt wel om ruimte in het proces. Ruimte om bestaande aannames te toetsen, om alternatieven mee te nemen in de afweging, om ervaringen op te bouwen. Die ruimte ontstaat niet vanzelf. Het vraagt bewuste keuzes van opdrachtgevers, adviseurs en uitvoerders.
Een logische eerste stap is om bij tijdelijke toepassingen structureel alternatieven mee te nemen in de afweging. Niet als verplichting, maar als onderdeel van professioneel en toekomstgericht ontwerpen. Niet vanuit ideologie, maar vanuit de vraag: wat past het beste bij dit project?
De kans die nu ligt
Als we duurzaamheid serieus nemen, moeten we ook serieus kijken naar wat we toepassen. Niet alleen tijdens de bouw, maar ook wat er daarna overblijft. Voor een groeiend aantal toepassingen zijn natuurlijke alternatieven technisch beschikbaar en bewezen. De bottleneck zit in de manier waarop we projecten specificeren en aanbesteden.
De vraag is niet of natuurlijke materialen overal synthetische oplossingen moeten vervangen. De vraag is of we ze überhaupt nog meenemen in de afweging. Op dit moment doen we dat te weinig. Daar ligt de kans.
Benny Leusink, technisch textiel expert bij Zwartz

