Na een langdurig onderhandelingsproces is op 19 juni 2018 een eerste conceptversie van een VN-verdrag over mensenrechten en bedrijfsleven bekendgemaakt. Dit verdrag staat in het teken van een nieuwe benadering van de relatie tussen de plicht van Staten om mensenrechten te beschermen en de verantwoordelijkheid van bedrijven om specifiek ten aanzien van mensenrechten maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Vraag is echter of er juridisch veel nieuws onder de zon is.

(Statelijke) verplichtingen inzake mensenrechten en bedrijfsleven

Een groot deel van de bedrijfsactiviteiten van internationale ondernemingen vindt plaats in een ander land dan waarin zij hoofdzakelijk gevestigd zijn. Internationaal vastgestelde normen inzake mensenrechten, die van toepassing zijn op deze bedrijfsactiviteiten van ondernemingen, worden echter nog niet overal (op dezelfde wijze) toegepast en gehandhaafd.

Om die reden beoogt het nieuwe voorliggende concept VN-verdrag over mensenrechten en bedrijfsleven dat in het kader van transnationale bedrijfsactiviteiten van ondernemingen effectiever kan worden optreden tegen mensenrechtenschendingen en dat de internationale samenwerking tussen Staten bij de handhaving verbetert. Het verdrag bevat plichten voor Staten inzake due dilligence, jurisdictie en aansprakelijk in het kader van transnationale bedrijfsactiviteiten. Hoewel het verdrag tot staten is gericht, leidt het in de praktijk tot indirecte verplichtingen voor ondernemingen die transnationale bedrijfsactiviteiten uitvoeren.

Het concept VN-verdrag over mensenrechten en bedrijfsleven is echter niet de eerste rechtsbron waarin deze verplichtingen aan Staten worden opgelegd. Uit een General Comment (nr. 24) van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten, blijkt dat de ‘nieuwe’ plichten uit het toekomstige verdrag al voor staten gelden op grond van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten(IVESCR). Dit General Comment vormt immers een gezaghebbende uitleg van het bindende IVESCR. Daarnaast blijken deze plichten voor Staten zelfs te gelden ten aanzien van alle bedrijfsactiviteiten van ondernemingen. Dus niet alleen ten aanzien van transnationale activiteiten zoals bij de nieuwe verdragstekst, aldus het Comité.

Zowel het General Comment als het toekomstige verdrag kunnen geplaatst worden in de zichtbare trend waarbij ondernemingen verplicht worden, in plaats van aangemoedigd via niet bindende instrumenten, om ten aanzien van mensenrechten daadwerkelijk maatschappelijk verantwoord te ondernemen en hierover verantwoording af te leggen. Vooralsnog lijken de al geldende staatsverplichtingen uit het General Comment echter een slapend bestaan te lijden. Het VN-verdrag heeft de potentie een belangrijk signaal te vormen voor zowel staten als ondernemingen om mensenrechten in het kader van het bedrijfsleven meer serieus te nemen. Daarin worden alle relevante verplichtingen namelijk nog eens expliciet verwoord. Om die reden kijken we in deze blog aan de hand van de nieuwe verdragstekst wat deze staatsverplichtingen inhouden en wat deze verplichtingen mogelijk voor ondernemingen (kunnen gaan) betekenen.

Due diligence verplichtingen (artikel 9 van de verdragstekst)

De verdragstekst verplicht Staten wetgeving aan te nemen over due diligence-verplichtingen. Ondernemingen moeten deze verplichtingen uitvoeren gedurende al hun transnationale bedrijfsactiviteiten, waarbij rekening moet worden gehouden met de potentiële impact van de desbetreffende bedrijfsactiviteiten op mensenrechten, gezien de omvang, aard, context en de bijbehorende risico’s van deze activiteiten. De due diligence moet onder andere omvatten:

  • het monitoren van de gevolgen voor de mensenrechten;
  • het identificeren en beoordelen van mensenrechtenschendingen;
  • het voorkomen van mensenrechtenschendingen;
  • rapportage over niet-financiële aangelegenheden, met inbegrip van ten minste milieu- en mensenrechtenkwesties;
  • uitvoeren van milieu- en mensenrechteneffectbeoordelingen; en
  • het voeren van zinvol overleg met getroffen groepen en relevante belanghebbenden.

Bij de voorgaande due diligence-verplichtingen moeten de activiteiten van dochterondernemingen en entiteiten waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, worden betrokken. Bovendien moet de due diligence alle contractuele relaties beslaan die de transnationale bedrijfsactiviteiten van de onderneming met zich meebrengen.

Als ondernemingen niet voldoen aan deze verplichtingen, moeten zij op grond van wetgeving, die door de Staat moet worden opgesteld, aansprakelijk kunnen worden gehouden. Uit het verdrag volgt dat de Staat een plicht heeft tot handhaving inzake deze due dilligence-verplichtingen. Bij het opstellen van wetgeving inzake de due dilligence-verplichtingen kunnen Staten ervoor kiezen om bepaalde kleine en middelgrote ondernemingen vrij te stellen.

Internationale jurisdictie? Effectieve toegang tot de rechter voor slachtoffers (artikel 8 van de verdragstekst)

Staten moeten op grond van het verdrag verder effectieve toegang tot de rechter en rechtsmiddelen verzekeren voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen bij transnationale bedrijfsactiviteiten. Vermeende mensenrechtenschendingen dienen effectief te worden onderzocht door de Staat. Indien toepasselijk, moeten Staten actie ondernemen tegen betrokken ondernemingen die zich schuldig maken aan het schenden van mensenrechten bij transnationale bedrijfsactiviteiten.

In overeenstemming met algemeen internationaal recht, kunnen claims over deze mensenrechtenschendingen worden voorgelegd aan een rechter in de staat waar de vermeende schending heeft plaatsgevonden of waar de betrokken onderneming hoofdzakelijk gevestigd is (artikel 5 van de verdragstekst). Dit zou betekenen dat een slachtoffer in zijn eigen land het recht heeft om een onderneming die hoofdzakelijk gevestigd is in een andere staat aansprakelijk te stellen voor het schenden van zijn mensenrechten in het kader van de  transnationale bedrijfsactiviteiten van de betreffende onderneming. Opmerkelijk hierbij is dat het verdrag een plicht voor de Staten bevat tot het wederzijds erkennen en handhaven van buitenlandse rechterlijke oordelen, mits deze in overeenstemming zijn met nationaal en internationaal recht (artikel 8 lid 8 Verdragstekst).

Strafrechtelijke, civiele en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid (artikel 10 van de verdragstekst)

Op grond van het verdrag moeten Staten  wetgeving vaststellen waardoor ondernemingen in het kader van transnationale bedrijfsactiviteiten strafrechtelijk, civiel en bestuursrechtelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden voor begane mensenrechtenschendingen (artikel 10 Verdragstekst). Ten aanzien van civiele en strafrechtelijke aansprakelijkheid voorziet het verdrag in een paar verplichtingen voor Staten. Het verdrag weidt niet verder uit over de bestuursrechtelijke aansprakelijkheid.

Een onderneming met transnationale bedrijfsactiviteiten moet civielrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die is veroorzaakt door mensenrechtenschendingen voor zover zij voortvloeien uit de context van haar bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van;

  • de bedrijfsactiviteiten waarover door de onderneming zeggenschap wordt uitgeoefend;
  • de bedrijfsactiviteiten van een dochteronderneming of een andere entiteit in de aanleverketen voor zover er een voldoende nauw verband met de entiteit is en er een sterke en directe connectie is tussen handelswijze van de onderneming en het door het slachtoffer geleden onrecht;
  • mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit risico’s in de keten van economische activiteiten van de onderneming die door de onderneming zijn voorzien, of voorzien hadden moeten zijn.

Daarnaast moet het op grond van de vereiste wetgeving mogelijk worden een onderneming strafrechtelijk aansprakelijk te stellen als zij opzettelijk, rechtstreeks of via tussenpersonen, schendingen van de mensenrechten begaat die volgens het internationale recht of het nationale recht als strafbaar feit worden aangemerkt. In het kader van mensenrechtenschendingen die op grond van het internationale recht als misdrijven worden aangemerkt, worden Staten verplicht om te voorzien in wetgeving omtrent universele jurisdictie.

Handhaving (artikel 8, 9 en 14 van de verdragstekst)

Onder het verdrag wordt de handhaving op de indirecte plichten voor ondernemingen primair opgedragen aan de Staten. Tot dusver bevat de verdragstekst zelf geen internationaal handhavings- of klachtenmechanisme. In plaats daarvan voorziet de verdragstekst in een monitoring- en toezichtmechanisme in de vorm van een deskundigencomité. Dit comité zal toezicht houden op de uitvoering van de verdragsverplichtingen door de Staten.

Conclusie?

De bovenstaande uit de huidige conceptverdragstekst voortvloeiende verplichtingen zijn de opmaat voor de nadere opstellingsbijeenkomsten van de VN-werkgroep die zeer binnenkort, op 15 tot 19 oktober 2018, zullen plaatsvinden. We moeten afwachten welke teksten daar uit voortvloeien.

Ondanks dat het blijkt te gaan over al geldende verplichtingen op grond van het IVESCR en de bijbehorende General Comment, is de weerstand in het onderhandelingsproces tot heden groot. Het is niet onwaarschijnlijk dat de aansprakelijkheids- en jurisdictieclausules, die tegen de huidige stand van het internationale aansprakelijkheidsrecht  ingaan, een punt van discussie worden. Feit is dat veel bepalingen nog gepreciseerd moeten worden. Daarentegen is er ook kritiek dat het verdrag niet ver genoeg gaat. Dit betreft onder meer de beperking van het verdrag tot transnationale bedrijfsactiviteiten, dat volgens vele Staten een ongelijk speelveld creëert tussen nationale en internationale ondernemingen. Het IVESCR kent een dergelijke beperking niet.

Er is dus nog een lange weg te gaan voor er een definitief bindend VN-verdrag zal worden ondertekend. De vraag blijft of de Staten hun meningsverschillen kunnen overbruggen en kunnen komen tot een definitief en geratificeerd bindend VN-verdrag. Indien de staten dat kunnen, kan het verdrag er toe leiden dat de geldende verplichtingen inzake mensenrechten en bedrijfsleven effectiever doorwerking zullen vinden en niet langer een wat onzichtbaar bestaan zullen lijden.

Tot dan moeten betrokken partijen het doen met de niet-bindende instrumenten en het bindende IVESCR met de bijbehorende General Comment. Wordt vervolgd…

Tom Barkhuysen en Annemieke Zwanenburg van Stibbe